18-09-2011    

Sociale taal.
Honden zijn ingesteld om te communiceren via lichaamstaal (non-verbaal). De verbale taal die mensen spreken kennen zij niet, hele volzinnen verstaan zij dus niet. Wel kunnen ze aan de toon waarop iets gezegd wordt onze stemming inschatten. Het is wel mogelijk om honden commando's aan te leren; de voorwaarde is dan wel dat de commando's kort en goed van elkaar te onderscheiden zijn. Gebruik telkens hetzelfde commando, dus niet de ene keer “kom” en de andere keer “hier”; maak het niet moeilijker voor de hond dan nodig is.

Associatie leren.

Voor een groot deel leert een hond via associaties, via het ontdekken van koppelingen of samenhangende gebeurtenissen. Om te leren via associatie moet een hond prikkels krijgen. Prikkels zijn plotselinge veranderingen in de omgeving van de hond (zoals geur, zicht, gehoor, smaak), maar ook veranderingen van binnenuit zijn prikkels die zijn gedrag kunnen be´nvloeden (zoals pijn, angst, hormonen, vreugde, verdriet). Ook de context (situatie, plaats, sfeer e.d.) is van belang op het gedrag van de hond. Als een hond bepaalde commando's op het trainingsveld goed beheerst, wil dat niet zeggen dat hij ze in een andere omgeving goed uitvoert. De hond leert te anticiperen door herhaling van prikkels (bepaalde handelingen in bepaalde situaties) met telkens hetzelfde gevolg. Zo zal een hond die regelmatig iets toegeschoven wordt tijdens de maaltijd gaan bedelen als mensen aan het eten zijn. Maar een hond gaat ook op commando zitten omdat hij een brokje kan verwachten. Er zijn 2 vormen van associatie leren, namelijk: klassieke conditionering en operante conditionering.
 

Klassieke conditionering: (Dit wordt ook wel respondente conditionering genoemd.)
De hond leert een verband te leggen tussen een oorspronkelijke neutrale prikkel en het gevolg daarop. De 2 prikkels krijgen dezelfde waarde. Dit leerprincipe is ontwikkeld door de Russische fvsioloog Ivan Pavlov. De hond van Pavlov: Honden beginnen te kwijlen als er voedsel wordt aangeboden. Pavlov gaf telkens voor het voeren een signaal met een bel. Oorspronkelijk kwijlde de hond niet bij het horen van de bel. Op een gegeven moment begon de hond al te kwijlen bij het horen van de bel zonder voer te krijgen. De hond had
de link gelegd tussen de bel en het voeren. De 2 prikkels (de bel en het krijgen van voer) hadden dezelfde waarde gekregen.

Operante conditionering: (Dit wordt ook wel instrumentale conditionering genoemd.)
De hond leert een verband te leggen tussen zijn eigen gedrag en het gevolg van het gedrag. Als voorbeeld: een hond die bij toeval de vuilnisemmer omgooit en daar wat lekkers in vindt, zal proberen vaker de vuilnisemmer om te gooien. Dit leerprincipe werd ontwikkeld door Amerikaanse psvcholoog Burrhus Frederic Skinner.

Skinnerbox:
De box was een eenvoudig kistje waarin zich een hefboompje bevond. Hierin experimenteerde Skinner met verschillende dieren, zoals ratten en duiven. Als een dier op het hefooompje drukte, kwam er voedsel tevoorschijn. In eerste instantie wist het dier natuurlijk niet dat het voedsel kreeg door op het hefooompje te drukken en verrichtte allerlei verschillende activiteiten. Min of meer bij toeval drukte het dier op het hefooompje. Na verschillende keren bij toeval op het hefooompje te hebben gedrukt, legde het dier
de link tussen het hefooompje en het krijgen van voedsel. Het gevolg was dat de frequentie van het drukken op het hefooompje toenam.
 

Bekrachtigers of correcties.
Om te leren moeten de prikkels die de honden krijgen een plek krijgen. voor een pup zijn alle prikkels die hij krijgt nieuw, hij moet dus leren hoe daar mee om te gaan. De kans dat een bepaalde reactie op een prikkel zich de volgende keer zal herhalen, is groot als het hem een goed gevoel oplevert. Het gedrag zal zich niet zo snel herhalen als het een slecht gevolg heeft of helemaal geen gevolg heeft. Men spreekt van een bekrachtiger als de prikkel ervoor kan zorgen dat de bereidheid om het gedrag te herhalen zal toenemen. Men spreekt van een correctie als de bereidheid om het gedrag in de toekomst te herhalen zal afnemen. Bekrachtigers en correcties zijn weer onder te verdelen in positief en negatief. Positief en negatief hebben niets te maken of het aangenaam of onaangenaam is voor de hond. Positief betekent dat er iets wordt toegevoegd en negatief dat er iets wordt weggelaten of weggenomen. Er zijn dus 4 vormen: positieve en negatieve bekrachtiger en positieve en negatieve correcties. Al deze vormen zal ik uitleggen aan de hand van voorbeelden.

Positieve bekrachtiger:

Als gevolg van een gedrag wordt er iets aan de hond toegediend dat hem een goed gevoel oplevert; dit zorgt ervoor dat de kans groter is dat het gedrag zich herhaalt. Dit moet dan wel volgen direct op een bepaald gedrag; de hond moet de link kunnen leggen tussen zijn gedrag en de prikkel. Positieve bekrachtigers zijn beloningsbrokjes, voorwerpen zoals ballen en stokken, aandacht krijgen of het spelen, maar ook het vernielen van meubels kan zelfoelonend gedrag zijn. De clickertraining is gebaseerd op positieve bekrachtiging,.

Negatieve bekrachtiger:
Als gevolg van een gedrag wordt een onaangename prikkel weggenomen zodat het hem uiteindelijk toch een goed gevoel oplevert. Dit moet dan wel volgen direct op een bepaald gedrag, de hond moet de link kunnen leggen tussen zijn gedrag en het wegnemen van de prikkel. voorbeelden van negatieve bekrachtigers zijn: de postbode die weggaat na het blaffen (de hond heeft het gevoel dat de postbode weggaat omdat hij blaft), wegvluchten van andere honden, maar ook het zelf wegvluchten van iets is een negatieve bekrachtiger.
 

Positieve correctie:
Als gevolg van een gedrag wordt de hond een prikkel toegediend dat hem een onaangenaam gevoel oplevert; dit zorgt ervoor dat de kans klein is dat het gedrag zich herhaalt. Dit kan een pijnprikkel zijn door middel van een slipketting of stroomband. Het kan ook voor de hond een onaangenaam geluid zijn zoals een knal. Deze tactiek wordt nog veel gebruikt in de traditionele trainingsmethodes. Men haalt op deze manier wel het ongewenste gedrag weg, maar niet de oorzaak van het gedrag. Dit levert overmatig veel stress op bij de hond; stress belemmert het leren van iets nieuws. Ook zal de hond conflictvermijdende (kalmerende) signalen gaan vertonen, zodat hij de oefeningen niet uit kan voeren. Soms ziet de hond de straf niet zoals het bedoeld is. Als voorbeeld: een hond springt tegen de baas op en wordt weggeduwd of geschopt. Het springen van de hond is een vorm van aandacht vragen. De hond krijgt de aandacht, al is het dan in de vorm van duwen of schoppen. Dit is dus eigenlijk een positieve bekrachtiger. Hetzelfde geldt voor een blaffende hond als de baas binnenkomt; er wordt wel honderd keer tegen hem geschreeuwd dat hij stil moet zijn,
maar de hond ziet dit als aandacht en dus als beloning.

Negatieve correctie:

De voor de hond aangename prikkel die het gedrag veroorzaakt wordt weggenomen, zodat het gedrag in de toekomst niet makkelijk zal herhalen. Dit is wel de beste manier om de hond gedrag af te leren. Als voorbeeld weer de hond die tegen de baas opspringt. De baas geeft de hond geen aandacht (kijkt de hond zelfs niet aan), maar draait de rug naar de hond toe en blijft stokstijf staan. Als de hond bij het spelen te ruw wordt, staakt men het spel. Bij een hond die tijdens het wandelen in de lijn bijt, wordt de lijn losgelaten (of ergens aangebonden) en de hond wordt genegeerd.
 

Beloningen
 blijken in het algemeen een  duurzamer effect te hebben dan straffen!

Belonen.
Met beloning kan men dus het goede gedrag van een hond stimuleren, maar net zo goed kan men onbewust door beloning ongewenst gedrag in stand houden. Zelfoelonend gedrag kan het gedrag van de hond ook in stand houden, denk bijvoorbeeld aan de vuilnisemmer waar hij iets lekkers in vond. Als de hond alleen is en spullen gaat vernielen, is dat ook zelfoelonend gedrag. Door op deze manier bezig te zijn, onderdrukt hij het gevoel van alleen zijn. Om het goede gedrag te stimuleren kan men op verschillende manieren belonen. De grootste beloning is voor de hond wel aandacht krijgen of even lekker spelen (al dan niet met een speeltje), maar meestal wordt er gekozen voor een beloningsbrokje omdat men hiermee redelijk goed kan timen. De juiste timing van belonen is erg belangrijk omdat de hond de relatie moet kunnen leggen tussen zijn gedrag en de beloning. Dit geldt overigens ook voor bestraffen. Achteraf belonen (of straffen) heeft dus totaal geen zin; de beloning
moet zoveel mogelijk gelijktijdig met het gewenste gedrag gegeven worden. Beloon in eerste instantie alleen maar voor het aanleren van iets nieuws. Bij het aanleren mag men ook bijna goed uitgevoerde oefeningen belonen. Als de hond al weet wat het commando betekent, beloont men alleen de perfect uitgevoerde oefeningen. Belonen voor een goed uitgevoerde oefening die de hond al tot in de puntjes kent, is overbodig; men geeft een volwassene toch ook geen compliment omdat hij zijn veters netjes heeft gestrikt? Onderzoek heeft uitgewezen dat het beter werkt als men niet constant beloont. Kent de hond de oefening al goed, dan gaat men over tot onregelmatig belonen. De hond zal daarna nog beter zijn best doen om een beloning te verdienen.
 

Met dank aan: Martin Reuvekamp
Website: www.hondenwijzer.com
Datum: 18-09-2011