04-09-2011    

Aalstreep: Streep donkergekleurde haren op lichte ondergrond, lopend van schoft tot staartaanzet (bijv. bij een mopshond)
Aanslaan:  Beginnen met blaffen als reactie ergens op.
Aantrekken: Voorzichtig volgen van het wild tot dit vastligt (lang blijft liggen) en zich niet meer verplaatst.
Aardhonden: Honden die het wild onder de grond (in holen) moeten zoeken.
Aberrant:  Afwijkend.
Abnormaal:  Afwijkend van de norm
Abrupt:  Plotseling
Achterhand:  De achterbenen en de bekkengordel.
Achterhoofdsknobbel:  Jachtknobbel. Kam op het achterhoofdsbeen.
Achter middenvoet: Het deel van het achterbeen tussen de hak en de tenen.
Adel:  Geeft een harmonische belijning, een trotse en edele verschijning aan, zonder de bruikbaarheid te verliezen. Duidt ook op symmetrie, fierheid en zelfbewustheid.
Adolescent:  Jeugdig.
Adult: Volwassen.
Affix:  Kennelnaam als achternaam gebruikt. Zie: suffix.
Afgezette borst: Een te sterk gekromd zwaardvormig aanhangsel van het borstbeen (borstbeen te kort).
Africhten: Het aanleren bepaalde oefeningen of werkzaamheden op commando uit te voeren.
Agouti:  Peper en zout. Benaming om wildkleur aan te geven.
Agressie: De hond kent onder meer: angst - agressie, dominantie - agressie, verdedigende agressie, instinctieve agressie en gestoorde agressie.
A.K.C.: American Kennel Club; Amerikaanse overkoepelende kynologische organisatie. Wordt ook voor de door hen uitgegeven stamboom gebruikt.
Alert: Vrijmoedig bewegend, geboeid lijkend door iets.
Alimentair:  met betrekking tot de voeding.
Allel:  Elk van de verschillende vormen van hetzelfde gen.
Allround keurmeester:  Keurmeester die bevoegd is alle rassen te keuren.
Amandelvormig:  Aanduiding voor de ovale vorm van het oog.
Anorchidie:  Het niet aanwezig zijn van testikels.
Aplasie:  Onvolkomen ontwikkeling.
Appèl:  Gehoorzaam, alert gedrag. (Fik staat keurig onder appèl)
Appelhoofd: Bol voorhoofd, vaak met uitpuilende ogen
Apporteren: Het bij de jager brengen van het geschoten wild; het terugbrengen van een weggeworpen voorwerp.
Apron: Witte kraag van Schotse Herder (Collie) en Shetland Sheepdog (Sheltie).
Artemis-proef: Zware jachthondenproef voor A-honden van 24 maanden en ouder, waarbij uitsluitend met koud wild wordt gewerkt.
 
Baard: Rijkelijke beharing aan de onder- en voorzijde van de onderkaak.
Bakken: Sterk ontwikkelde wangspieren.
Bananenstaart: Gecoupeerde staart die met een sterke boog omhoog en naar voren buigt (diverse terriers).
Basset:  Zie brakken.
Bastaard: Honden uit rasloze ouderdieren of ouders van verschillend ras.
Beet:  Manier waarop snijtanden in onder- en bovenkaak t.o.v. elkaar staan.
Behang: Oren plus de beharing ervan.
Beharing: Synoniem voor vacht.
Behendigheid: Tak van de hondensport waarbij parcoursen met hindernissen moet worden afgelegd.
Bek, harde ~: Tegenovergestelde van zachte bek.
Bek, zachte ~:  Het voorzichtig op pakken en apporteren van wild, dat het niet beschadigd wordt.
Beladen schouders: Te zwaar ontwikkelde spieren aan de binnenzijde van de schouderbladen.
Belijning: Lijnen die het silhouet van de hond vormen.
Belton:  Schimmelpatroon bij Engelse setters. Blue belton: wit met zwarte vlekjes; Lemon belton:Wit met citroen-kleurige vlekjes; Liver belton: wit met bruine vlekjes; Orange belton: wit met oranjekleurige vlekjes.
Bench: Hok of kooi op tentoonstellingen voor het huisvesten van de ingeschreven honden.
Berghonden: Rassen die voor bewaking en bescherming van de kuddes in bergachtige gebieden ingezet worden.
Beschutter: Een brak- of windhond die de jagende honden belette het wild te doden of te verscheuren.
Bevedering: Lange haren aan de achterzijde van de benen, van de staart en aan de oren.
Black en Tan: Tankleurige aftekeningen aan de achterkant van de onderpoten, binnenkant van de oren, buik en keel en vlekjes boven de ogen zoals bij de Dobermann en Rottweiler.
Bone:  Botsubstantie.
Borstdiepte: Loodrechte afstand tussen schoft en borstbeen.
Bovenbelijning:  Lijn die vanaf het achterhoofd via nek, schoft, rug, lendenen en kruis tot de staartaanzet loopt.
Bovenvacht: Harde, langere haren die boven de ondervacht uitsteken.
Bovenvoorbijten:  Bij gesloten gebit staan de bovensnijtanden vóór de ondersnijtanden zonder elkaar te raken.
Brachiocephalen: Honden met een brede schedel (o.a. bij dogachtige honden).
Brakken:  Lopende honden die luid blaffend het wildspoor moeten volgen (Duits: Bracke; Engels: Hound; Frans: Chien courant; Italiaans: Segugio).
Brand: Vaalgele tot roestrode aftekening bij donkergekleurde honden aan hoofd, borst, benen, voeten en onder de staart (o.a. Dobermann, Rottweiler, Dashond, Berner Sennenhond).
Breien: Zie kruisen.
Broek: Bevedering van de achterbenen (tot spronggewricht).
Broken coat: Oude term voor ruwe, harde vacht.
 
CAC:  Afkorting van `Certificat d`Aptitude au Championnat`. Kampioen¬schaps¬prijs waarvan er in principe 4 nodig zijn om de titel KAMPIOEN te verwerven.
CACIAG: Afkorting van `Certificat d`Aptitude au Championnat International d`Agility`
CACIB: Afkorting van `Certificat d`Aptitude au Championnat International de Beauté`. Kampioen¬schaps¬prijs om de titel Internationaal Kampioen te verwerven.
CACIL: Afkorting van `Certificat d`Aptitude au Championnat International des Courses de Lévriers`
CACIOB: Afkorting van `Certificat d`Aptitude au Championnat International d`Obéissance`
CACIT: Afkorting van `Certificat d`Aptitude au Championnat International de Travaille`. Kampioen¬schaps¬prijs om de titel INTERNATIONAAL WERKKAMPIOEN te verwerven.
Carnivoor: Zoogdier dat van vlees leeft (vleeseter). Anderen zijn de herbivoor (planteneter) en omnivoor (alleseter).
 
Chondrodystrophie: Onvoldoende of verlate verbening van het kraakbeen, waardoor misvormingen kunnen ontstaan.
Chocoladekleur: Voornamelijk bij jachthonden gebruikte benaming voor een donkerbruine kleur.
College van Beroep: Een college van 3 personen dat een beroep tegen een besluit van de Raad van Beheer behandelt en een uitspraak formuleert die voor beide partijen aIs bindend advies geldt.
Couperen: Het verkleinen van oorschelpen en het inkorten van de staart.
Cryptorchisme:  Het verschijnsel dat beide testikels niet in het scrotum zijn afgedaald.
 
Dameshondjes: Vroegere benaming voor kleine gezelschapshonden.
Daskleurig: Patroon van kleuren dat ontstaat door een mengeling van zwarte, gele en grijze haren. Elk afzonderlijk haar kan ook deze drie kleuren bevatten.
Dekhaar:  Lange, hardere haren van de bovenvacht.
Derde ooglid: Bevindt zich in de binnenste ooghoeken, is normaal donker van kleur en nauwelijks zichtbaar. Het wordt vaak aangeduid als bindvlies.
Dip:  Inzinking in het rugprofiel vlak achter de schoft.
Diskwalificeren: Het niet in aanmerking komen voor een kwalificatie ten gevolge van een fout die in de standaard vermeld staat.
Dogachtigen:  Groep van honden met brede schedels.
Dolichocephalen:  Honden met een lange schedel (windhonden).
Downfaced: Een in een gebogen lijn verlopen schedel, van opzij bezien van achterhoofdsknobbel tot aan de neusspiegel (zoals bij een Bullterrier)
Draadhaar: Een ruwharige bovenvacht die uit zeer harde haren bestaat.
Draf: Een manier van voortbewegen waarbij steeds een diagonaal benenpaar het lichaam ondersteunt.
Driekleurig: Aanduiding voor een hond met de kleuren zwart, wit en roodbruin, zoals bij de Sennenhonden.
Droog:  Een strak om het lichaam gespannen huid, zonder plooien en/of rimpels.
Drijfhond: Jachthond die als taak heeft het wild uit de dekking te drijven.
 
Ectropion: Het naar buiten krullen van het ooglid (een erfelijke afwijking).
Eénsporig gaan:  Zie éénsporig gaan
Entropion:  Het naar binnen krullen van een ooglid (een erfelijke afwijking).
Expositie: Een evenement waar de ingeschreven honden op hun onderlinge schoonheid beoordeeld worden.
Expressie:  De gezichtsuitdrukking van de hond.
Exterieur:  De uiterlijke verschijningsvorm van de hond, die voor elk ras verschillend is.
Enceinte: Omrasterde ruimte op een tentoonstelling voor enkele honden tezamen.
Epagneul:  Zie staande honden.
 
Faking: Aanbrengen van veranderingen aan het extererieur om de keurmeester te misleiden.
Fauve: Kleuraanduiding die loopt van tarwegeel tot rood-bruin.
Fawn:  Beige- of reekleurig.
Field trial:  Zie veldwedstrijd.
FCI: Afkorting van `Fédération Cynologique Internationale`, de internationale overkoepelende organisatie op kynologisch gebied.
Flankeren: Het systematisch (zigzaggend) afzoeken van een terrein door een jachthond.
Fokker: De persoon die ten tijde van de worp eigenaar van de moederhond is.
Flyball: Tak van hondensport waarbij over een hindernissenparcours een balletje moet worden geapporteerd.
Franje: Lange beharing aan de oren.
Frans staan:  Met de voorvoeten uitgedraaid (naar buiten gedraaid) staan.
Front: Meestal worden hiermee de voorbenen bedoeld. Ook vooraanzicht (borstpartij en voorbenen)
 
Gaan, nauw ~: Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voorbenen en/of achterbenen.
Gaan, éénsporig ~: Het tijdens de draf zodanig neerzetten van de voeten dat hun sporen één lijn vormen.
Gebonden gaan: Het te weinig naar voren en naar achteren plaatsen van de achterbenen.
Galop: Snelste wijze van bewegen, waarbij het lichaam zich regelmatig in een zwevende toestand bevindt.
Gangwerk:  De manier waarop een hond zich voortbeweegt.
Garnituur:  Zware wenkbrauwen, samen met snor en baard.
Geblokt:  Zie vierkant.
Gedrukt: Angstig, schrikkerig.
Gestrekt:  De lengte van de hond is meer dan de schofthoogte.
Gestroomd:  Min of meer duidelijke streep donkere haren op een lichte ondergrond.
Getijgerd: Onregelmatig vlekkenpatroon als bij blue merle (o.a. Dashonden).
Gevlekt:  Kleine vlekken op een witte ondergrond.
G & G: Afkorting van Gedrag en Gehoorzaamheid`. Tak van de hondensport waarbij de hond leert hoe zich te gedragen t.o.v. andere honden en personen, en gegeven commando`s uit te voeren.
Gladharig:  Kort, aanliggend haar zonder ondervacht.
Glasoog:  Oog met blauwe iris.
G-hond:  Hond die de kwalificatie goed krijgt op tentoonstelling.
Griffon:  Aanduiding voor ruwharige honden.
Groep: Op een tentoonstelling kunnen drie of meer honden van eenzelfde ras/variëteit als groep worden geshowd
Groepskeurmeester:  Een keurmeester die bevoegd is een rasgroep te keuren (bijv. alle dogachtigen, alle wind-honden).
Grond beslaan, veel ~: in stand:  benen wijd uit elkaar geplaatst. In beweging: ruim uit grijpend gangwerk
 
Haakstaart:  Zodanige knik in de staartwervels dat een haakse bocht ontstaat.
Halfwindhonden: Windhonden met eigenschappen van brakken die de gebogen rug missen, staande oren hebben, zowel op zicht als op reuk jagen en ook apporteren.
Hals geven:  Het blaffen of huilen van jachthonden.
Hangend oor: Oor dat vlak langs het hoofd hangt.
Harlekijn: Witte grondkleur met grotere en kleinere zwarte vlekken zoals bij een Duitse Dog
Hazenrein: De eigenschap van een jachthond om onbeschoten hazen niet te achtervolgen.
Hazevoet: Ovale voet. De tenen zijn lang en krachtig.
HD:  Zie heupdysplasie.
Herdershonden: Groep van honden die op enige manier met vee te maken hebben.
Hertehals:  Gebogen hals die lang en dun is (Italiaans Windhondje).
Heupdysplasie: Misvorming van het heupgewricht (meestal afgekort tot HD).
Hoeking: Hoek die gevormd wordt door beenderen of beenformaties van de ledematen.
Hoogbenig: Voor terriers met een normale beenlengte wordt deze term vaak gebruikt. Als de verhouding borstdiepte-bodem afstand door een ondiepe borst of lange onderarm niet optimaal is gebruikt men de term hoogbenig.
Hound staan:  Bij rechte voorbenen staan de voeten iets naar binnen gedraaid.
Houndmarked: Wit met rode aftekeningen en een zwart zadel.
Hubertusklauw: Vijfde teen aan de binnenzijde van het achterbeen.
 
Inschrijfformulier: Formulier om een hond voor een kynologisch evenement in te schrijven.
Inschrijfgeld:  Het bedrag dat verschuldigd is voor deelname aan een kynologisch evenement.
Inteelt:  Paring van verwanten zoals zuster en broer, moeder en zoon, dochter en vader.
Isabel: Een van bruinachtige vaalgele kleur
 
Jachtknobbel: Kam op het achterhoofdsbeen (achterhoofdsknobbel).
 
Kameelrug: Gebogen rug, waarvan de welving te dicht bij de schoft begint.
Kampioen, Internationaal - :  Titel, verleend door de FCI na het behalen van de vereiste internationale kampioenschap prijzen (CACIB), onder vastgestelde voorwaarden.
Kampioen, Nationaal -: Titel, verleend door de overkoepelende landelijke organisaties na het behalen van de vereiste kampioenschap prijzen. De voorwaarden zijn per land verschillend.
Kampioen, Nederlands Titel, verleend door de raad van Beheer op Kynologische Gebied in Nederland, na het behalen van in principe vier kampioenschap prijzen, onder bepaalde voorwaarden.
Kampioenschaps-clubmatch: Clubmatch van een rasvereniging waar kampioenschap prijzen en reserve kampioenschap prijzen behaald kunnen worden.
Kampioenschapsprijs:  Zie CAC.
Karperrug: Sterker dan nogal gewelfde lendenpartij (Franse Buldog).
Kattevoet:  Kleine, ronde voet.
Keelhuid: Ruim hangende, losse huid rond de keel.
Keurmeester:  Iemand die op een exposietie honden beoordeelt en kwalificeert.
Kissing spots:  Kleine, roodbruine vlekjes op de wangen van de Black and Tan Terrier.
K.M.S.H.: Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus
Knikstaart:  Staart waarvan 2 wervels in een knik met elkaar vergroeid zijn.
Knopoor: Driehoekig, hoog aangezet oor dat zodanig naar voren valt dat de gehoorgang afgesloten is.
Koehakkig: Spronggewrichten die niet parallel, maar naar binnen gebogen staan.
Koppel: Twee honden van hetzelfde ras of dezelfde variëteit, ongeacht het geslacht.
Kortbenig:   Door verkorting van de beenderen van de ledematen zijn de benen korter dan bij de normaal gebouwde hond.
Kortharig: Korte bovenvacht met ondervacht.
Korte jacht: Jacht met het geweer.
Kraag: Langere, iets uitstaande vacht rond de hals.
Kroeshaar: Gekrulde vacht, waarbij de krullen gevormd worden door de zachte ondervacht.
Kruis:  Laatste deel van de rug tussen darmbeenknobbels en staartaanzet.
Kruisen: Het kruisgewijs neerzetten van de voeten tijdens het gaan.
Kruisgebit: Stand van de tanden waarbij een gedeelte van de bovenkaak een schaargebit vormt en het tegenoverliggende gedeelte van de onderkaak een onderbeet is.
Krulhaar: Vacht die sterk krult.
Krulstaart:  Staart die in een gesloten ring over de rug gedragen wordt.
Kurketrekkeroor: Gedraaid, hangend oor.
Kurketrekkerstaart: Korte staart waarvan de wervels niet regelmatig achter elkaar, maar verdraaid en geknikt liggen.
Kwalificatie:  Waardering van een beoordeelde hond op exposities, gegeven door een bevoegd keurmeester.
Kynologie: Wetenschap over de hond. Deze term wordt ook gebruikt om de hondensport in het algemeen aan te duiden
Kynoloog:  Kenner van honden. Algemeen wordt er ook de liefhebber van honden mee bedoeld.
 
Laagbenig:  Zie: kortbenig.
Laaggesteld:  Honden waarvan de bodemafstand kleiner is dan de borstdiepte.
Labiel: Wankelbaar.
Lachen:  Het aan de zijkanten optrekken van de bovenlippen.
Lange honden:  Honden die op het zicht jagen.
Lange jacht: Jacht met honden die alleen hun gezichtsvermogen gebruiken.
Lange neus: Het vermogen om het wild op grote afstand te ruiken.
Langharig: Lang, aanliggend haar met dunne en zachte bovenvacht.
Leverkleurig: Vooral bij jachthonden gebruikte aanduiding voor een lichtere bruin tint.
Loboor:  Bij de aanzet smal oor dat geleidelijk breder uitloopt en aan de punt afgerond is.
L.O.F.: Livre des Origines Français (Franse stamboom)
Loopsheid: Periode in de cyclus van de teef, waarin ze vruchtbaar is.
Lopende honden:  Zie brakken.
Los front: Door onvoldoende stevige bespiering niet goed aanliggende en teveel bewegende schouderbladen en/of ellebogen.
L.O.S.H.: Livre des Origines Saint-Hubert (Belgische stamboom). Buiten het L.O.S.H. zijn er nog A.L.S.H. (Annexe au Livre des Origines Saint-Hubert) en R.I.S.H. (Registre Initielle Saint-Hubert). Alleen het L.O.S.H wordt door de FCI erkend.
Luid geven: Zie hals geven.
 
MAG-test: De test Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedrag, gedragstest voor honden, waarbij de agressie wordt getest
M-hond:  Hond die op exposities de kwalificatie matig krijgt.
Maagtorsie:  Een draaiing van de maag om de lengteas, waardoor het spijsverteringskanaal afgesloten wordt.
Mantel: Kleur die het lichaam bedekt met uitzondering van de benen, de hals en de staart.
Markeren: Het opmerken van de juiste plaats waar aangeschoten wild beland en deze plek onthouden.
Masker: Donker gekleurde voorsnuit van lichter gekleurde honden, meestal zwart maar soms ook anders kleurig.
Meute: Groep brakken die wild achtervolgen.
Min: Een teef die pups van een andere moederhond voedt.
Monorchisme: Het niet ingedaald zijn van één testikel.
Muzzle: Voorsnuit.
 
Naakthonden: Honden die volledig haarloos zijn, óf alleen op het hoofd, aan de benen en op de staart behaard zijn.
Nauw gaan: Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voor- en/of achterbenen tijdens de beweging.
Neusrug: Deel van de neus dat loopt van de neusspiegel tot aan de stop.
Neusspiegel: Voorste, onbehaarde deel van de neus, waarin de neusgaten liggen.
N.H.S.B.: Nederlands Hondenstamboek (Nederlandse stamboom).
 
 
Oorbellen: Lange haren met zwarte haarpunten.
Onzuivere brand: Donkere vlekjes in de vaalgele tot bruinrode aftekening van het tan patroon.
Open oor: De gehoorgang wordt niet bedekt door de oorschelp.
Otterstaart: Korte en dikke staart die geleidelijk dunner wordt naar de staartpunt toe.
 
Platen: Grote vlekken op een lichte onderkleur.
Pronkrug: Streep haren op de rug die in tegenovergestelde richting groeien.
Prefix: Als de kennelnaam voor de roepnaam van de hond wordt geplaatst.
 
----------------------- --------------------------------------------------------------------------
 
Racy: Op snelheid gebouwd.
Rashondenlogboek: Bij de Raad van Beheer te verkrijgen boekje waarin gegevens en behaalde resultaten van u hond geregistreerd worden
Raspunten: Een aantal eigenschappen waaraan rashonden moeten voldoen.
Red Fawn:  Rood reekleurige vacht.
Ring: Afgebakende ruimte op de exposities waarin de honden geshowd en gekeurd worden
Ringcommissaris: Een persoon die onder verantwoordelijkheid van de ringmeester administratieve werkzaamheden moet verrichten.
Roest: Donkere vlekken in de vaalgele tot bruinrode aftekening van het tan-patroon.
Rollend gangwerk: Een schommelende beweging van het lichaam, het lijkt net dat de hond zich deinend voortbeweegt.
Ruwhaar: Een bovenvacht van stugge, lichtgegolfde haren met wollige, vettige ondervacht.
 
Sabel: Grijze, bruine of oranjerode vacht, al dan niet met zwarte haarpunten
Scherp: Een hond die neiging tot bijten vertoont. Niet uit angst maar door agressie.
Schimmel: Gemêleerd witte met een andere kleur haren zoals bijvoorbeeld bij Engelse Cocker Spaniel.
Schoft: Het deel van het lichaam waar de nek overgaat in de rug. De toppen van de schouderbladen wordt aangehouden voor de meting.
Schotschuw: Angst voor het geluid van schoten en andere harde, plotselinge geluiden.
Spreidvoeten: Voeten waar de tenen niet goed van aangesloten zijn.
Standaard: Een lijst van eigenschappen waaraan alle rashonden moeten aan voldoen.
Stamboek: Boek waarin de afstamming van rassen wordt opgenomen.
Stamboom: Door de Raad van Beheer afgegeven bewijs van de afstamming van de rashond.
Steil: Te weinig hoekingen in de voor en/of achterhand.
Steppen: Het te hoog optillen van de voorbenen.
Stokhaar: Kort, hard, grof haar
Stuwen: Het stevig afzetten met de achterbenen tijden het lopen.
 
Tan: Geelachtige tot roodbruine aftekeningen aan het hoofd, op de borst, aan de benen en de onderzijde van de staart. Black and tan: zwart met tan aftekeningen;
Blue and tan: blauw/blauwgrijs met tan aftekeningen; Liver and tan: bruin met tan aftekeningen.
Tanggebit: De onder- en bovensnijtanden staan precies op elkaar.
Tastharen: Lange, dikke en zeer harde haren aan het hoofd.
Telgang: Het gelijktijdig naar voren bewegen van beide linker- dan wel rechterbenen.
Terrier: Een groep honden die als taak had rooftuig op te ruimen en daarvoor ook onder de grond werkte.
Ticking: Kleine vlekjes op een witte ondergrond.
Tipoor: Staand oor, waarvan het bovenste gedeelte naar voren valt.
Tonvormig: Ribben die sterk gerond verlopen.
Top knot: Rijkelijke schedelbeharing die een kuif vormt ( Poedel ).
Tricolo(u)r: Zie driekleur.
Trimmen: Het plukken van de bovenvacht van ruwharige honden.
Tulpoor: Zie vleermuisoor.
Turnup: Opgebogen onderkaak.
Type: De karakteristieke kenmerken van een bepaald ras.
 
U-hond Hond: Hond die op exposities de kwalificatie Uitmuntend heeft behaald.
Undershot: De tanden van de onderkaak staan voor tanden van de bovenkaak.
Uitdrukking: Gezichtsuitdrukking van de hond.
 
Vang: Voorsnuit.
Veldwedstrijd: Wedstrijd om de kennis van de jachthond in het veld vast te stellen.
Vieräugler: Hond met een lichte vlek boven ieder oog.
Vinnen: Rijkelijke beharing aan de voeten.
Vlag: Staartpluim.
Vleermuisoor: Staand oor, breed aan de basis en aan de bovenzijde een afgeronde punt.
Voorhand: De schoudergordel en de voorbenen.
 
Wammen: Zware keelhuidplooien (Bloedhond).
Will to please: Werklust; de wil van de hond om zijn baas een plezier te doen.
Windhonden: Groep van honden die op het zicht jaagt.
Wipneus: Enigszins hol verlopende neusrug (Pointer).
Wisselneus: Een van kleur veranderende neus.
Wolfsklauw: Zie hubertusklauw.
Wall eye: Zie glasoog.
Wheaten: Tarwekleurig.
Whiskers: Baard bij Airedale, Lakeland en Welsh Terrier.
Workingtest: Apporteerproef.
W.K. Hirschfeldstichting: Particuliere stichting die de gezondheid van de rashondenpopulatie in de gaten houdt, heupfoto`s en elleboogfoto`s beoordeelt, oogonderzoek doet, enz.
 
------------------------ --------------------------------------------------------------------------
 
Yellow liver: Bruin-gele Labrador Retrievers met de ongewenste genetische samenstelling.
 
Zadel: Zwart kleurpatroon in de vorm van een zadel zoals bij de Airedale Terriërs.
Zadelrug: Slappe, doorgebogen rug.
Z.G-hond: Hond die op exposities de kwalificatie Zeer Goed heeft behaald.
Zijdehaar: Lang zacht haar waarbij onderhaar en bovenhaar bijna niet te onderscheiden zijn.
Zwaardstaart: Lange staart die bijna recht naar beneden gedragen wordt.
Zwanehals: Een gebogen hals die lang en dun is zoals bij het Italiaans windhondje.
Zweethonden: Honden die een zweetspoor volgen.
Zwevend gangwerg: De hond loopt zeer lichtvoetig.
Met dank aan: Team Hondenwereld
Website: www.hondenwereld.nl
Datum: 04-09-2011