21-10-2012    



Wanneer beginnen we met de africhting ?

Er is geen vaststaand tijdstip waarop men moet starten. Neem nu het "buit en spel", hiermee wordt de basis gelegd voor het grootste deel van de africhtingsprestaties. Het bezig zijn met de hond wordt dan geleidelijk aan africhtingswerk. Wanneer het leveren van prestaties alleen wordt overgelaten aan het al of niet zin hebben van de hond is het spel, maar als aan de eis een bepaalde opdracht uit te voeren, met geduld en standvastigheid wordt vastgehouden, ook wanneer de hond eens geen zin heeft in het spel wordt het africhting. Soms kan dwang gebruikt worden maar nooit ruw onbeheerst geweld.

De africhting begint stap voor stap, met het leren van driften, op een leeftijd van ongeveer 6 maanden. Is de hond bij zijn waak en verdedigingslessen zover dat de Pakwerker en de prikkelsituatie hem niet meer angstig maken en de hond zich niet meer bedreigd voelt, dan kan men met de gehoorzaamheidsoefeningen beginnen. De hond moet dan wel al een zekere bereidheid tot verzet tonen en een eigen wil ontwikkeld hebben. Hij moet in staat zijn de lichamelijke en geestelijke belasting van de steeds herhaalde oefeningen en de onvermijdelijke inwerking zonder schade te doorstaan. Een competente hond is met circa vijftien maanden zover.

Maar men moet zich niet laten verleiden de in de examenvoorschriften genoemde minimumleeftijd voor het mogen deelnemen aan een examen, als reden te nemen om de hond tegen beter weten in al vroeger of te vroeg met deze oefeningen te laten beginnen.
De africhting voor het speurwerk neemt wat het begintijdstip betreft een bijzondere plaats in. Succes is altijd afhankelijk van de vrijwillige bereidheid van de hond en het is altijd verkeerd om dit met dwang te willen proberen. Spoorzekerheid en spoorvastheid zijn eigenschappen die de hond met lange regelmatige oefening zelf ontwikkelt. De belangrijkste hulp die de geleider hier kan geven is voor voldoende oefenmogelijkheden te zorgen. Het reukorgaan is al vroegtijdig ontwikkeld. Met het speuren kan dus al worden begonnen als de hond nog zeer jong is.
 

De tien geboden van de hondengeleider.
1. Beschouw uw hond als een goede vriend en niet als een uitlaatklep voor uw kwade buien.
2. Sla uw hond nooit, maar als hij gestraft moet worden, doe het dan met een scherp "foei" en indien aangelijnd met een kort rukje aan de lijn.
3. Geef uw hond voor het begin van de oefening de gelegenheid om zijn behoefte te doen en oefen niet direct na een maaltijd.
4. Blijf kalm, ook indien de hond soms onwillig en fout is bij oefeningen die voordien correct uitvoerde.
5. Prijs de hond als die bij u terug komt, ook al was dit niet op het eerste commando. Leer hem begrijpen dat hij bij u altijd welkom is.
6. Schreeuw niet tegen hem, maar geef uw commando's kort en duidelijk.
7. Gebruik voor eenzelfde oefening altijd hetzelfde commando.
8. Oefen zoveel mogelijk op verschillende terreinen en vooral in het bijzijn van andere honden en voor de hond vreemde personen.
 


Een hond is geen mens
Bijna iedereen die een hond heeft, zal beamen dat hij er een prima kameraad aan heeft. Een hond heb je voor de gezelligheid, voor de aanspraak, om van alles mee te ondernemen en lief en leed mee te delen. De hond is volwaardig lid van het gezin, hij hoort er gewoon bij. Zo kameraadschappelijk als we met de hond omgaan, een ding mogen we niet uit het oog verliezen: de hond is en blijft een hond.

 Hoe 'menselijk' sommige honden zich soms ook lijken te gedragen, we mogen er geen menselijke eigenschappen van verwachten of aan toedichten. Dat is met name van belang bij het opbouwen van de relatie tussen baas en hond. Wie zijn hond democratische rechten toekent, solliciteert naar moeilijkheden. De hond ziet de inbreng die hij krijgt, niet als een voorrecht, maar als een gebrek van leiderschap van zijn baas. Als dier dat als vanouds deel uitmaakt van een roedel - een gemeenschap waarin iedereen letterlijk en figuurlijk zijn plaats weet en op die plek geen tegenspraak duldt van ondergeschikten - raakt onze huishond alleen maar in verwarring als hij in het menselijk gezin (de vervanger van de roedel) niet weet waar hij aan toe is. Een hond met een beetje pit gaat er dan vanuit dat hij dan maar de baas is. En hij zal dan bereid zijn het leiderschap op zijn manier te verdedigen - dus met grommen en zo nodig zijn tanden te laten zien - Niet alleen op momenten dat de baas misschien geneigd is het gedrag van zijn hond te zien als dapper en doortastend, maar ook bij die gelegenheden dat zulk gedrag regelrecht ongewenst is of zelfs gevaar oplevert. De hond zelf is met zo'n situatie ook niet echt gelukkig. In het gunstigste geval is hij onzeker en nerveus, in het ongunstigste geval vervalt hij - in onze mensenogen - tot agressief gedrag. Dat kan uiteindelijk leiden tot herplaatsing, een asiel of zelfs een voortijdig einde. Want uiteindelijk is het toch de hond die aan het kortste eind trekt.

Daarom is het zo belangrijk om in een vroegtijdig stadium - nog voordat de keuze op een bepaalde hond of ras gevallen is - te bepalen wat de baas wil en ook of men voor dat ras, dat qua uiterlijk en voorkomen misschien het meest aanspreekt, wel een goede baas kan zijn. Als de voorkeur uitgaat naar een stevige, waakse hond is het goed te bedenken dat die hond bepaalde eisen stelt op de manier waarop we met hem omgaan. Waak- en verdedigingshonden zijn om precies dezelfde redenen ooit aangeschaft, onhoudbaar als het gedrag van zo'n hond niet begrepen wordt of uit de hand loopt. Wie afgaat op een advertentie uit de krant, waarin een afgerichte hond word aangeboden (vaak gaat het dan om honden die deze opleiding om wat voor reden dan ook niet hebben voltooid), moet zichzelf terdege afvragen of hij zo'n hond wel aankan. En om diezelfde reden is het belangrijk om bij de aanschaf van een pup de rollen van begin af aan - ook al kijkt het wurm ons nog zo smachtend en ondeugend aan - duidelijk te verdelen. Dat betekent niet dat we de hond als een bullebak tegemoet moeten treden. Een hond die hard behandeld word, blijft misschien in het gareel, echt happy zal hij niet zijn. Gelukkig zijn er vele positieve manieren om de hond er van jongsafaan aan te wennen dat hij niet alleen een ondergeschikt plaats in ons roedel inneemt, maar dat hij op die plaats een fijn en veilig leven heeft. Daartoe dienen zich in het leven van alledag vele gelegenheden aan, gelegenheden die we aangrijpen om rangordebevestigend op te treden. Voor de hand liggend zijn de momenten dat we corrigerend moeten optreden. Minder voor de hand liggend, maar net zo effectief, zijn de momenten dat we de hond kunnen belonen om het gewenste gedrag te stimuleren en te bevestigen. bron hsv rijn en gouwe.
 

Met dank aan: Jan Oostland
Website: www.oostland-diensthonden-opleidingen.nl
Datum: 21-10-2012