10-06-2012    

Suikerziekte bij de hond

WHG Dierenartsen www.whgdierenartsen.nl
Facebookpagina: http://www.facebook.com/whgdierenartsen

N.B.
Deze cliŽnten hand-out is bedoeld als ondersteuning van het consult door de dierenarts. De tekst gaat ervan uit dat uw huisdier al door de dierenarts is gezien. De adviezen in de hand-out gelden alleen voor dieren bij wie de diagnose is gesteld. De informatie dient niet als vervanging van een consult door de dierenarts! Bedenk bij het lezen dat de gezondheidssituatie van uw huisdier anders kan zijn dan in de teksten wordt beschreven. Verder worden al onze hand-outs vervaardigd aan de hand van niet alleen wetenschappelijke literatuur, maar ook van onze eigen inzichten op grond van persoonlijke ervaringen. Daarom kan de informatie voor een deel afwijken van de gangbare literatuurwetenschappelijke literatuur, maar ook van onze eigen inzichten op grond van persoonlijke ervaringen.

Iedereen heeft wel eens van suikerziekte gehoord. Maar wat houdt het nou eigenlijk in en hoe komt een hond aan suikerziekte? En misschien nog wel belangrijker: wat zijn de gevolgen ervan voor de hond en de eigenaar?
 

DE ZIEKTE
In de darmen worden koolhydraten uit de voeding afgebroken tot glucose. Glucose is een belangrijke brandstof voor cellen. Cellen hebben voor de opname van glucose het hormoon insuline nodig. Insuline is overigens niet alleen van belang voor de opname van glucose maar ook voor de afbraakproducten van vetten en eiwitten. Bij een hond met suikerziekte is er een tekort aan insuline of er zijn omstandigheden waardoor de werking van insuline wordt tegengegaan door andere hormonen. Hierdoor stijgt het glucosegehalte in het bloed, terwijl de cellen juist een tekort aan glucose hebben! Suikerziekte wordt ook wel 'diabetes'' of 'diabetes mellitus'' genoemd. Het woord 'diabetes'' staat voor: 'veel drinken'', het woord 'mellitus'' betekent 'zoet''. Dat laatste slaat natuurlijk op het hoge glucosegehalte in het bloed (en de urine). Op het vele drinken komen we later nog terug.
 

DE OORZAKEN
Insuline wordt geproduceerd door specifieke cellen (Beta-cellen) in de alvleesklier. Bij een ernstige beschadiging van de alvleesklier, bijvoorbeeld een ontsteking, kan de insulineproductie in het gedrang komen. Een andere vorm van beschadiging van de alvleesklier is een zogenaamde auto-immuun ziekte. Hierbij worden antistoffen gemaakt tegen de insuline producerende cellen, waardoor deze verloren gaan. Na de loopsheid wordt door de eierstokken gedurende een aantal weken het hormoon progesteron geproduceerd. Dit progesteron kan leiden tot een verhoogde productie van het groeihormoon. Dit groeihormoon remt de werking van insuline. Er is dus wel voldoende insuline, maar het kan zijn werk niet doen. Het lichaam registreert het hoge glucosegehalte in het bloed en het tekort aan glucose in de cellen. De alvleesklier reageert hierop door steeds meer insuline te produceren. Op den duur raken de insuline producerende cellen volledig uitgeput: er wordt dan geen of te weinig insuline gemaakt. Nu is er een echte diabetes ontstaan. Anti-loopsheidinjecties zijn niets anders dan progesteron! Het (herhaaldelijk) geven van deze injecties kan dus leiden tot het ontstaan van suikerziekte bij de hond! Ook het hormoon cortisol remt de werking van insuline. Een hond die dit hormoon toegediend krijgt (prednison en aanverwanten), maar ook een hond met een te snel werkende bijnierschors (ziekte van Cushing) heeft dus een verhoogde kans op suikerziekte. Verder speelt, net als bij de mens, overgewicht en gebrek aan lichaamsbeweging een rol bij het ontstaan van suikerziekte.
 

DE GEVOLGEN
Bij suikerziekte gaan er een aantal zaken fout in het lichaam. Het glucosegehalte in het bloed wordt op den duur zo hoog dat de nieren de glucose gaan uitscheiden via de urine. Dit gebeurt als de zogenaamde nierdrempel wordt overschreden ofwel als het glucosegehalte in het bloed boven de 15 mmol/l komt (normaalwaarde is 4-8 mmol/l). Glucose in de urine trekt extra vocht aan: de hond gaat meer plassen. Om het vochtverlies aan te vullen (dorst) gaat de hond meer drinken. Vanwege het verlies van glucose en onvermogen om glucose te verbranden krijgt de hond meer honger. Ondanks dat de hond voldoende of zelfs veel eet, zie je toch een vermagering door het onvermogen om glucose, vetten en eiwitten op de normale manier te verbranden door de cellen. Als het energietekort van de cellen steeds ernstiger wordt, dan gaat het lichaam in snel tempo opgeslagen vet afbreken. De vetzuren die hierbij vrijkomen, zullen worden opgeslagen in de lever, waardoor dit orgaan vervet. De levercellen komen dan letterlijk in de verdrukking. Hierdoor kan de lever zijn ontgiftingsfunctie niet goed uitvoeren. Als het lichaam overschakelt op een vetverbranding komen er aceton-achtige stoffen vrij (ketonen). Deze stoffen zijn giftig. Dit hele proces kan leiden tot ziek zijn, misselijkheid en braken. Ook kan er een acetonlucht uit de bek worden waargenomen. Het hoge bloedglucose gehalte kan bij de hond leiden tot een vertroebeling van de lens in het oog. Dit wordt staar of cataract genoemd. Door het voorkomen van glucose in de urine, is er een verhoogde kans op blaasontsteking. De glucose suiker vormt namelijk een perfecte voedingsbron voor bacteriŽn. Verder zullen wonden bij honden met suikerziekte slechter of langzamer genezen, door de vertraagde aanmaak van eiwitten.
 

DE DIAGNOSE
De diagnose suikerziekte wordt gesteld door het meten van het glucose gehalte in het bloed. Het is van groot belang om te realiseren dat er pas glucose in de urine voorkomt als het bloedglucose gehalte boven de 15 mmol/l is gekomen! Alleen urine nakijken is dus niet voldoende voor de diagnose!! Om te kunnen bepalen of er al langer sprake is van een verhoogd glucose gehalte in het bloed kan ook nog het fructosamine gehalte gemeten worden. Verder kan er natuurlijk bij het bloedonderzoek gezocht worden naar achterliggende oorzaken voor de suikerziekte (zie eerder).

DE BEHANDELING
Als suikerziekte wordt vastgesteld bij een intacte teef (zeker als de teef een aantal weken tevoren loops geweest is), is het van belang om zo snel mogelijk de eierstokken te verwijderen en zodoende de progesteron productie stil te leggen. Indien de diagnose in een vroeg stadium is gesteld, is soms een behandeling met insuline niet of slechts gedurende korte tijd nodig. Zeker in het zogenoemde `pre-diabetes' stadium (veel drinken, bloedsuiker te hoog, maar nog geen suiker aantoonbaar in de urine) is het succes van een castratie (dus ook de eierstokken verwijderen) groot.

Als is gebleken dat de alvleesklier geen of nauwelijks insuline produceert, dan moet er twee maal daags insuline worden toegediend per injectie. De injecties moeten door de eigenaar onderhuids worden gegeven op vaste tijdstippen, met 12 uur tussentijd. Vlak voor de insuline injectie moet de hond eten krijgen. In eerste instantie wordt de dosering insuline vastgesteld door uw dierenarts aan de hand van het lichaamsgewicht van de hond en de hoogte van het glucose gehalte in het bloed. De uiteindelijke dosering moet worden vastgesteld door in het begin van de behandeling regelmatig het bloedglucose gehalte te controleren.. Dit zal meestal 4-7 uur na insuline toediening gebeuren.

Een ander belangrijk aspect van de behandeling is het geven van een koolhydraat arm voer. Wanneer een dier een koolhydraat rijke maaltijd eet stijgen de suikerspiegels in het bloed in korte tijd behoorlijk. Er ontstaan behoorlijke schommelingen in de bloedsuikerspiegel. Beter kan een voer worden gegeven dat relatief veel eiwitten en vetten bevat. Hiermee worden hoge suiker pieken (en dalen) voorkomen en kan het dier beter gestabiliseerd worden op de insuline.

Op dagen dat de hond niet eet of bijvoorbeeld braakt is het noodzakelijk om de dosering insuline aan te passen. Doe dit in overleg met uw dierenarts. Het toedienen van bijnierschorshormonen (prednison) of progesteron preparaten aan suikerziekte patiŽnten is natuurlijk uit den boze! Verder is het van belang om bij overgewicht de hond onder begeleiding van uw dierenarts te laten afvallen.
 

CONTROLE
Regelmatige controles van de bloedsuikerspiegels zijn van groot belang. In het begin van de behandeling om de juiste dosering insuline vast te stellen, maar in het verloop van de behandeling eveneens om te evalueren of de behandeling nog afdoende is en in sommige gevallen of de behandeling met insuline nog nodig is!
Uw dierenarts zal 4-7 uur na de injectie met insuline de bloedsuikerspiegel meten. Hiermee wordt namelijk gekeken naar de bloedsuikerspiegel op het (te verwachten) laagste punt. Dit is met name van belang om het risico op hypoglycaemie zo klein mogelijk te houden.
Soms is het nodig om een zogenaamde dagcurve van de suikerspiegel te maken. Hierbij wordt gedurende een periode van 12-24 uur iedere 2 uur de bloedsuikerspiegel gemeten, waardoor duidelijk wordt in hoeverre de insuline effect heeft en hoe lang het bloedsuikerverlagend effect van de injecties aanhoudt.
Vooral op de lange duur is het ideaal om een bloedglucose bepaling thuis te doen. Dit kan gemakkelijk met een klein druppeltje bloed en een speciaal apparaatje dat ook wel bekend is voor de controle van bloedsuikerspiegels bij mensen met suikerziekte.
Verder is het van belang dat u thuis de wateropname van de hond in de gaten houdt. Het blijkt dat de wateropname een belangrijke graadmeter is voor de bloedsuikerspiegel. Een hond die goed is gereguleerd op insuline, zal minder plassen dan voor de behandeling. Door in een dagboek bij te houden hoeveel uw hond op een dag drinkt kunt u leren te zien wanneer uw hond minder goed gereguleerd is. Immers, wanneer het niet goed is ingesteld zal de suikerspiegel vaker boven de nierdrempel uitkomen. De glucose wordt uitgeplast. Hierdoor zal uw hond meer plassen en drinken. Bovendien valt het dier dan waarschijnlijk ook af. Met andere woorden ook het gewicht van uw hond kan helpen te bepalen of het nodig is eerder een controle op de bloedsuikerspiegel en algemene gezondheid uit te laten voeren bij de dierenarts.

Het meten van de glucose concentratie in de urine is niet geschikt om de dosering van insuline op aan te passen!
 

EEN "HYPO"
Met de term 'hypo'' wordt eigenlijk een hypoglycaemie bedoeld. Dat is een mooi woord voor een tekort aan glucose in het bloed. Een dergelijke situatie kan ontstaan als de dosering insuline te hoog is of als er in verhouding tot de hoeveelheid insuline die is toegediend te weinig voedsel is opgenomen. Ook een plotseling verhoogde activiteit, waarbij dus meer glucose wordt verbruikt kan een mogelijke oorzaak voor een glucose tekort zijn. Het is van belang dat u de symptomen herkent van een glucose tekort bij uw hond: de hond zal wat onrustig of juist heel sloom worden, hongerig en rillerig zijn en in ernstige gevallen zelfs een soort epilepsie aanval kunnen krijgen. Uiteindelijk raakt de hond bewusteloos. De grootste kans op een 'hypo'' loopt de hond ongeveer 3-7 uur na toediening van insuline. Herkent u de symptomen dan kunt u het beste zo snel mogelijk wat te eten aanbieden. Is de hond niet meer in staat om voedsel op te eten, dan moet u druivensuiker poeder op en onder de tong wrijven. U geeft ongeveer 1 gram per kilogram lichaamsgewicht. Van dit poeder moet u dus altijd 1 of 2 porties klaar hebben staan! Uiteraard is het verstandig om dan contact op te nemen met uw dierenarts.
 

VOORKOMEN
Suikerziekte komt vaker voor bij teven dan reuen. Verder zouden er volgens de literatuur nog een aantal rassen zijn die meer kans hebben op suikerziekte dan anderen: dat zijn de Keeshond, de Puli, de mini Pinscher, de Cairn terrier, de poedel, de mini Schnautzer en de Beagle. We zien het echter bij de meest uiteenlopende rassen en kruisingen.

Laatst bijgewerkt door Drs. J.F. van Hengel, 25 februari 2011
 

Met dank aan: WHG Dierenartsen
Website: www.whgdierenartsen.nl
Datum: 10-06-2012