15-04-2012    

Oostland diensthonden opleidingen

AANLEREN VAN DE BASIS GEHOORZAAMHEID OEFENINGEN

 Het voorgaande hoofdstuk Africhten is geschreven om een zo groot mogelijk inzicht te geven wat er bij africhting of opvoeden van honden om de hoek komt kijken. Je zou kunnen zeggen dat het een theoretische uiteenzetting is die vrij universeel toepasbaar is. Ongetwijfeld zullen we van alle beschreven aspecten gebruikmaken bij de africhting van een geur detectiehond. Echter moeten we goed voor ogen houden dat aan een geur detectiehond andere eisen worden gesteld dan aan bijvoorbeeld een sporthond of een surveilleringshond. Omdat de eisen anders zijn zal de methodiek waarop het africhten is gebaseerd ook anders kunnen en moeten liggen.

Willen we een optimale voorbereiding voorafgaande de opbouw in geur detectiewerk bewerkstelligen, dan moeten we bij voorkeur uitsluitend werken met een secondary reinforcer gevolgd door positieve bekrachtiging. Deze manier van het aanleren van de basis gehoorzaamheid oefeningen wordt dan in het verlengde daarvan gevolgd door de zelfde gebruikte methodieken voor geur detectiewerk. Uiteraard is van belang dat bij het aanleren van de basis gehoorzaamheidoefeningen dezelfde woorden of klanken worden gebruikt als men wil gaan gebruiken bij de opbouw in geur detectie werk.

Als secondary reinforcer is een clicker hier goed te gebruiken. Zeker als de hond wordt afgericht met de bedoeling dat hij later in de praktijk gebruikt wordt door een andere geleider. De click uitgevoerd door welke geleider dan ook klinkt dan altijd het zelfde, dit in tegenstelling van een gesproken woord. De overgang naar de nieuwe geleider zal zodoende soepeler kunnen verlopen.

Het meest wezenlijke vind ik dat de hond graag werkt en daarbij door de geleider hoog in drift te brengen is. De hond behoort helemaal gericht te op de geleider te zijn. Als positieve bekrachtiger moet bij voorkeur dezelfde bekrachtiger gebruikt worden die ook bij het geur detectiewerk gebruikt gaat worden. Dit kan een bal zijn maar ook een metalen geurpijpje en dergelijke. Een hond met veel jacht/buit drift is een principe overal gek op te krijgen. En deze zotheid moet dan ook op de gebruikte positieve bekrachtiger gecreëerd worden.

Tot de basis gehoorzaamheid oefeningen moet men toekennen het VOLGEN, ZITTEN, LIGGEN, BLIJVEN en het KOMEN op bevel. Daarnaast is het APPORTEREN van de positieve bekrachtiger van belang. Echter is hier de strakke afwerking van deze oefeningen zoals bij bijvoorbeeld het I.P.O. programma totaal niet nodig.

Naast de basis gehoorzaamheid commandos moet de hond ook leren ergens in of over te springen en te lopen. Dit is nodig zodat de hond elke locatie en object kan afzoeken naar een geleerde geursignatuur.


10.1 Uitgangsprincipe van de opbouw

De opbouw van een appèloefening is weer te geven volgens het volgende uitgangsprincipe:

-Eerst hond conditioneren op de geleider en het initiatief verleggen.

-Vervolgens het aanleren van het commando zonder dwang en zonder vermijden op te roepen, met gebruikmaking van het begrip positief geconditioneerd signaal en het begrip shaping. Shaping zou men kunnen vertalen als het vormen in stapjes van het gewenste gedrag. Onder shaping verstaat men het proces waarbij kleine stapjes in de goede richting naar gewenst gedrag wordt versterkt, waarbij de norm steeds een beetje verhoogd wordt totdat het uiteindelijk van te voren bepaalde doel bereikt is. Met andere woorden, voor het verkrijgen van het positief geconditioneerd signaal moet de hond steeds perfecter/sneller werken. Daarna volgt de driftbevrediging (voedsel/bal). In het hoofdstuk Communicatie en hoe honden leren ben ik al dieper ingegaan op dit onderwerp.

-Daarnaast interval toepassen voor wat betreft het geven van een positief geconditioneerd signaal met daarna een driftbevrediging (voedsel/bal).

Nogmaals, een onvoorspelbare/variabele beloning is de beste manier om een bepaald commando te onderhouden. Men moet wel zorgen dat de link tussen gedrag en de driftbevrediging blijft bestaan.

-Gedurende de gehele opbouw van de hond het oogcontact met de geleider uitbouwen.

In het vervolg van dit hoofdstuk Aanleren van de basis gehoorzaamheid oefeningen zullen deze uitgangsprincipes verder worden uitgewerkt. Gedurende de opbouw van de hond zullen een aantal van deze principes door elkaar heen lopen. Het is echter wel van groot belang de samenhang van deze uitgangsprincipes voor ogen te blijven houden. Weten waar men mee bezig is zal de basis zijn voor een goed eindresultaat.


10.2 De basis, de hond conditioneren op de geleider en activiteit creëren bij de hond

Wat vooral gedurende eerste zes levensmaanden van de hond, of het moment dat de hond in bezit komt, bewerkstelligd moet worden is activiteit bij de hond en een conditionering op de geleider. Deze activiteit heeft men bij de hond gecreëerd als de hond door de geleider snel geactiveerd kan worden in buitdrift. Door met dit actieve gedeelte van de hond te gaan werken heeft men het grote voordeel dat men kan voorkomen om vermijdgedrag te bewerkstelligen. Buitdrift kan namelijk geen vermijdgedrag oproepen. Met de gecreëerde activiteit als basis worden later de basisoefeningen als ZIT en AF aangeleerd.

De eerste trainingsinspanningen met de hond bestaat dus uit het creëren van activiteit. Dit kan men bewerkstelligen met een rubberen bal ter grote van een tennisbal met en touwtje eraan. Men laat de hond, die aan een lange lijn vast zit, achter de bal jagen die men in aan het touwtje vast houdt.

Wat men zou kunnen stellen is dat men de hond leert met de geleider te spelen met behulp van de bal. De hond raakt het meest gefascineerd op de bal als de geleider de bal in beweging brengt als zijnde een klein buitdiertje voor hem. Dit bereikt men door met behulp van het touwtje aan de bal rukkende snelle bewegingen te maken die snel van richting veranderen. Het doel is de hond te laten jagen achter de bal aan, met andere woorden activiteit door middel van buitdrift te creëren. Om deze leerfase optimaal te laten verlopen dient er bij deze eerste trainingssessies geen verdere afleiding voor de hond aanwezig te zijn.

Men gaat dus niet met het balletje gooien! De hond krijgt de bal alleen rechtstreeks van uit je hand in zijn bek. Het gaat er namelijk om dat de hond begrijpt dat het jou bal is. Het is namelijk zo dat de hond van nature graag datgene heeft wat jij bezit! Het is namelijk een stukje autoriteit die je dan prijs geeft aan de hond. Dus rechtstreeks uit je hand is altijd beter dan de bal te gooien als het gaat om het creëren van activiteit. De hond moet weten dat jij diegene bent die de bal tot beweging kan brengen.

De hond heeft dus nu de bal en zit aan de lange lijn. Wat betreft het gebruik van een lange lijn het volgende. Dat de hond nu aan de lange lijn zit is niet alleen handig om eventueel te voorkomen dat deze met de bal weg wil. Het is tevens belangrijk om de hond te laten gewennen dat hij een lange lijn met zich mee moet sleuren. Bij latere trainingshandelingen heeft men hier alleen maar profijt van. Bovendien mag het niet zo zijn dat een hond alleen aan een lange lijn wordt gedaan als men m.b.v. deze lijn problemen op wil gaan lossen. De hond zal dit snel door hebben en heeft het gebruik van een lange lijn dus niet meer het gewenste effect. Het gebruik van een stugge/harde lange lijn heeft het voordeel dat deze minder snel om je benen of de benen van de pakwerker slaat en de hond minder snel deze problemen heeft met zijn poten. Nadeel t.o.v. lichte/slappe lijn is natuurlijk dat deze erg zwaar kan worden als deze vocht op neemt.

Terug naar het spel met de bal. Wil de hond niet naar je toekomen en/of de bal niet graag afgeven, dan moet men dit niet gaan afdwingen bij de hond. Immers we willen geen vermijdgedrag gaan oproepen. Beter is in dit geval gebruik te maken van het gegeven dat de hond van nature iets liever heeft wat jij hebt dan wat hij heeft. Dus die ene bal die jij nog hebt is veel interessanter dan die honderd die hij misschien zelf al heeft. Dus door nu een tweede bal te activeren op de wijze men deed voordat men de eerste bal gaf, gaat de aandacht van de hond naar deze tweede bal. Hij zal nu zijn eerste bal laten vallen of graag afgeven. Belangrijk is dan op dat moment deze tweede bal direct uit de hand te geven. Immers zijn handeling moet wel bevredigd worden. Honden kunnen een voorkeur hebben of krijgen voor een bepaalde bal. Raadzaam dus om te werken met twee exact de zelfde ballen. Men moet deze oefeningen net zo lang uitvoeren totdat de hond zelf jou gekregen bal wil teruggeven of op zijn minst tegen je opspringt en de bal op commando af wil geven.

Het niet willen afgeven van de bal is een signaal dat hij zijn werkdrift met de geleider aan het ondermijnen is. De hond mag dus zeker niet wat gaan rondlopen met zijn bal of er op gaan liggen knagen. De bal is van jou en dat hoort de hond te weten. Wat men dus wil bereiken is een volledige conditionering van de hond op de geleider.

Het vervolg van het verhaal is dat men het initiatief gaat verleggen naar de hond. Dat wel zeggen, dat de hond gaat vragen om actie van de geleider. Het is dan dus niet meer zo dat de geleider zijn hond in drift brengt met de bal, maar de hond het initiatief neemt om actie te bewerkstelligen.

Het initiatief verleggen kan men door zich als geleider plotseling stil te gaan staan met de bal uit zicht van de hond, bijvoorbeeld onder de jas, een beetje door je knieën gaan en je lichaam gespannen maken. Als de hond dan tegen je aanspringt of de bal gaat zoeken onder je jas ga je over tot hiervoor genoemde acties om de hond te activeren.

Men kan dus hiermee een ideale situatie verkrijgen. Het is niet meer de geleider die de aandacht van de hond wil vasthouden, maar het is de hond die de aandacht van de geleider wil vasthouden.

Om deze activiteit en de conditionering op de geleider nog verder te verankeren kan men dezelfde al hierboven beschreven oefeningen uitvoeren maar dan met aanwezigheid van afleiding door derde.


10.3 De kunst om de hond bij het appèl zo lang mogelijk in drift te houden

Het steeds langer in drift blijven, lees het steeds verder uitstellen van de driftbevrediging, kan men steeds verder opbouwen. Dit kan men bij het appèl bewerkstelligen door diverse positieve bevestigingen van het gedrag in een vaste volgorde toe te dienen voordat de echte driftbevrediging volgt. Met andere woorden, de hond wordt geleerd dat een reeks van bevestigingen vooraf gaan aan de echte driftbevrediging en dit houdt hem in drift.

Bij de opbouw van de hond moet het uiteindelijk zo zijn dat men bij de trainingen uiteindelijk de nu volgende volgorde positieve bevestiging van het gedrag kan aanhouden.

1)positieve gezichtsuitdrukking, met andere woorden, een positief geconditioneerd visueel signaal (bijvoorbeeld een glimlach)

2)akoestische bevestiging, met andere woorden, een positief geconditioneerd akoestisch signaal (bijvoorbeeld GOED ZO, of een CLICK met de clicker)

3)lichamelijk contact (bijvoorbeeld een aai)

4)het krijgen van jou bal (dat wil zeggen, stukje autoriteit direct uit jou hand + driftbevrediging)

Met het geven van je bal, ofwel een stukje autoriteit, moet men dus steeds spaarzamer worden. De verwachtingstijd tot driftbevrediging wordt dus steeds langer, met andere woorden, de hond wordt langer in drift gehouden. Wat dit betreft heb ik al bij het hoofdstuk Communicatie en hoe honden leren uiteengezet hoe men beloning moet toepassen om het beste effect te bereiken.

In drift houden hangt ook samen met de honger naar driftbevrediging of anders gezegd het voedsel die al voor bevrediging is gegeven. Ik doel hier op de huisvesting van de hond en de samenhang hiervan met de roedeldrift.

Het gericht houden op de geleider bij het appèl komt namelijk voort uit een stuk buitdrift (bal) en een stuk roedeldrift (samen bezig) zijn met de geleider). Het mag voor zich spreken dat de roedeldrift het sterkst is wanneer het in roedel zijn vaak niet van toepassing is voor de hond. Leeft de hond altijd in een roedel, dan zal de roedeldrift al voor een groot deel verzadigd zijn. Het altijd in roedel zijn kan van toepassing zijn als de hond thuis altijd samen met een andere hond in één hok ligt! Een hond altijd binnen in huis geeft het zelfde effect.

Echter.....sociaal contact, omgang met de kinderen en alle overige wat zich in en om het huis zich afspeelt, moet deel uitmaken van de wereld van de hond! Ik spraak dan ook over het bezwaar van ALTIJD in roedel zijn, niet over SOMS of REGELMATIG!


10.4 Werken naar ultieme aandacht van de hond = OOGCONTACT

Oogcontact van de hond met de geleider is een zeer sterk punt voor het bereiken van een perfecte uitvoering van appèloefeningen. Het is de ultieme vorm van aandacht voor de geleider. Bovendien is oogcontact een zeer goed en eenvoudig middel om de intensiteit van de aandacht voor de geleider te meten. Immers de hond kijkt je wel of niet aan in de ogen en is er dus de ultieme aandacht wel of niet aanwezig.

Oogcontact is vaak al een bijproduct dat ontstaat gedurende de opbouw. De basis van oogcontact wordt al gelegd bij het verleggen van het initiatief bij de hond om tot het uitvoeren van oefeningen over te gaan. Het belang van oogcontact voor de hond kan hier al geconditioneerd worden. Mocht het echter gedurende de opbouw blijken dat het niet tot het gewenste oogcontact gaat komen, kan men besluiten zeer bewust oogcontact te gaan aanleren. Een methode om de hond oogcontact te gaan aanleren kan als volgt luiden.

Neem voedsel of een balletje en houdt dat tussen de ogen van de hond en je eigen ogen. Op deze wijze kijkt de hond naar het begeerde en naar jou. Zodra de hond in je ogen kijkt beloon je deze door het voedsel of de bal te geven. Begint de hond het spelletje door te krijgen dan gaat men een stap verder door de hond echt bewust te leren kijken. Dit doet men door de buit nu in een gesloten vuist een deel zijwaarts van je eigen lichaam af te houden. De hond zal zich uiteraard eerst fixeren op de vuist of zelfs proberen te snuffelen, belikken etc. negeer dit gedrag en wacht af totdat de hond je aankijkt van "waarom niet?. Op dit moment van oogcontact komt de beloning voor de hond uit de vuist. De hond leert dus dat het in drift zijn naar iets, het oogcontact de driftbevrediging geeft. Uiteraard wordt de verleiding naar het voedsel of de bal uitgebouwd door bijvoorbeeld meer beweging met de arm en wordt de tijdsduur van het aankijken langzaam uitgebouwd.

Uiteraard moet men ook gedurende de opbouw van de appèloefeningen erg goed op blijven letten als de hond oogcontact maakt. Oogcontact zal bij aanvang altijd een beloning moeten opleveren voor de hond. Met andere worden, de hond moet geconditioneerd worden dat oogcontact uiteindelijk driftbevrediging op zal leveren. Uitbouwen van de tijdsduur van het oogcontact moet langzaam geschieden.


10.5 Het aanleren van de eerste oefening met een actieve hond - ZIT

Een hond is erg gemakkelijk het commando ZIT aan te leren. Logisch dat we dan ook hiermee aanvangen. Uiteraard hebben de conditionering op de geleider en het activeren van de hond er goed ingebracht.

Het is wat we dan nu ook als eerste doen, de hond in drift brengen. We laten hierbij het initiatief zo veel mogelijk over aan de hond. Als de hond goed in drift is, hij jaagt dus achter onze bal aan die in de hand is of aan een touwtje, geven we een visueel teken (een vingertje omhoog bijvoorbeeld) en, in deze fase nog tegelijkertijd, het commando ZIT. Door van het commando een beetje ZZZIT te maken kan men verwarring voorkomen met het commando STA (verschil tussen S en Z is bij enkele geleiders soms moeilijk te horen en dit dan dus ook in de oren van de hond). De hond zit aan een lange lijn en kunnen we daardoor een beetje voor ons trekken op dat moment. Het is nu afwachten of de hond wil gaan zitten. Desnoods herhalen we het visuele en akoestische signaal. Het is natuurlijk moeilijk aan te geven wat de reactie van de hond zal zijn.


Maar de opzet moet dit zijn. Zodra de hond gaat zitten geeft men zeer vlug (fractie van een seconde) een positief geconditioneerd signaal en de bal uit de hand (dus rechtstreeks in de bek). Het uitvoeren van het commando ZIT brengt dus voor de hond een driftbevrediging. Dit moet dus de motivatie worden voor de hond om het commando snel uit te voeren. Het blijven zitten is in deze fase nog helemaal nog niet aan te orde!! Dat komt pas veel later aan bod. Dit gaan we bereiken door het toepassen van het in het begin van dit hoofdstuk beschreven begrip shaping. Echter de hond moet wel helemaal doorzitten voordat hij zijn balletje krijgt.

De kunst is geen, of in ieder geval zo min mogelijk, dwang in deze fase te gebruiken. Immers dwang brengt geen activiteit bij de hond en kan vermijdgedrag oproepen. Het is juist activiteit die we willen hebben en vermijdgedrag voorkomen. Ik verwijs naar het boek Nog beter omgaan met je hond, M.Gaus, blz 132 e.v., voor bruikbare methode om dit voor elkaar te krijgen.

Heeft de hond de bal dan handelt men verder zoals men deed bij de activeringsoefeningen.

Het niet meer helemaal door gaan zitten na een bepaalde periode is bij deze trainingsmethodiek het grote nadeel indien men hier niet alert op is. Dit is dan het gevolg van een te hoog in drift zijnde hond. Het is ook een reden om de bal in de bek van de hond te gooien en niet van de hond vandaan. Het balletje van de hond vandaan gooien stimuleert het zeer snel van de plaats willen gaan om achter het balletje aan te jagen. De oplossing van de nijging om niet meer helemaal door te gaan zitten mag duidelijk zijn. Minder drift (=bal) en meer technische dwang. Doordat er drift is zal de hond geen moeite hebben met de technische dwang waarmee de noodzakelijke perfectie afgedwongen wordt. Deze perfectie is noodzakelijk omdat we absoluut consequent t.o.v. de hond moeten zijn om het respect te behouden. Wat betreft de technische dwang het volgende. Wat betreft de technische dwang het volgende. Onervaren honden hebben de natuurlijke neiging om bij druk op het lichaam, een tegendruk uit te oefenen. Dat houdt in bij de methode halt houden en vervolgens op de kont van de hond drukken, men bewerkstelligt dat de hond verstijft en men daardoor veel druk op de achterste met uitoefenen om hem tot zitten te krijgen. Daarom behoort men bij het toepassen van de technische dwang in eerste instantie alleen lijnhulp te gebruiken! In een latere fase kan men eventueel ook handhulp gebruiken maar dan alleen voor de richting van het zitten correct te krijgen. Dus niet drukken op de kont, maar de hand aan de linkerzijde van de heup van de hond houden zodat hij beter aan de voet komt te zitten. De hand van de geleider is dus een glijdende rails. In een nog verdere fase kan men eventueel perfectie gaan creëren door middel van negatieve bekrachtiging


10.6 AF

Zou het tweede commando kunnen zijn die aangeleerd zou kunnen worden. Voor wat betreft AF zou je het zelfde verhaal kunnen aanhouden als beschreven bij ZIT. Je gaat wederom uit van een hoog in drift gebrachte hond. Uiteraard heb je, buiten een ander akoestisch signaal, (bijvoorbeeld vlak hand richting grond) ook een ander visueel signaal (AF).

Er moet wel gezegd worden dat een hond meestal meer moeite heeft om AF te gaan dan te gaan ZITTEN. Evenals bij de zitoefening bestaat hier het gevaar van het niet helemaal door willen gaan liggen als gevolg van de gebruikte trainingsmethodiek. De oplossing is identiek als bij de opbouw van de zitoefening.

Wederom wijs ik op het belang van het kunnen afleggen van de hond en hiermee helemaal tot rust te kunnen laten komen indien deze veel te hoog in zijn drift was. Alleen vanuit deze positie met volledige rust is een correcte start om de hond iets bij te brengen weer mogelijk


10.7 Drift, dwang, drift, dwang, driftbevrediging

Hebben we een actieve hond die snel gaat ZITTEN en snel AF gaat en helemaal doorzit en doorligt, dan kunnen we deze oefeningen gaan combineren. De oefeningen kunnen er als volgt uitzien. Hond wordt met bal in drift gebracht. Hond krijgt het visueel/akoestisch commando ZIT. Hond wordt weer in drift gebracht. Hond krijgt het visueel/akoestisch commando AF en indien hond Af is krijgt hij snel zijn driftbevrediging (bal uit je hand).

Uiteraard kan men deze oefening steeds langer maken en variëren. Echter blijf er voor waken niet te veel drift te creëren!


10.8 Volgen

Het volgen gaat men ook leren met een actieve hond als start. Dat wil zeggen, met een hond die zijn bal wil gaat men van start met het commando VOLG.

Als visueel teken kan het linkerbeen dienen dat overdreven naar voren wordt gezet. Later kan men het rechterbeen overdreven naar voren gaan brengen bij de oefeningen waar de hond moet BLIJVEN (ZIT, AF). Zodoende dan kan het linkerbeen voor de hond het actieve been worden en het rechterbeen het passieve been. Men moet hierin dan wel erg consequent blijven.

Het gaat bij het volgen dus om de hond zo te fixeren op ons, de geleider en zijn bal, dat de hond altijd op ons let. Dwang moet dus niet nodig zijn. De bal wordt op die manier gedragen, zodat de hond de beste positie gaat innemen, die voor het volgen de meeste winst met zich meebrengt. De bal mag niet direct zichtbaar gedragen worden. Hier komt de creativiteit van de geleider even om de hoek kijken. Hier moeten ook middelen en kwalen tegen elkaar afgewogen worden. De grootste kwaal die deze methode met zich mee kan brengen is wel het voordringen/hinderlijk volgen. Honden met een lage prikkel in dit spel en daardoor dus snel geprikkeld zijn, hebben de meeste neiging om met deze kwaal besmet te worden. De hond is dan dus reactief naar zijn bal toe. Toch is het voordringen/hinderlijk volgen al wat te voorkomen door gebruik te maken van de volgende trucjes zodat het volgen niet totaal onmogelijk wordt gemaakt door de hond. De voorkeur gaat bij deze honden dan meestal uit om de bal links van de geleider te dragen zodat de hond niet voor de geleider gaat lopen. Ook dient de geleider er rekening mee te houden op welke hoogte hij de bal gaat dragen. Ook dit kan in de hand werken dat de hond hinderlijk gaat volgen/voordringen. Je ziet dat hier wat gepast en gemeten moet worden alvorens we een definitieve keuze maken uit de onderstaande mogelijkheden om de bal te dragen:

Op de buik recht voor in een buidel In de jaszak links of rechts

Op de borst recht voor in een buidel Bovenbeen links of rechts

In de mouw links of recht Onder de oksel links of rechts

Onder de pols links of recht Op de heup links of rechts

Meestal geniet de linkerkant en de voorkant van de geleider de voorkeur om de bal te dragen. De rechterkant wil ik hiermee niet uitsluiten. Elke mogelijkheid moet in overweging genomen, omdat het anders alleen maar beperkingen met zich meebrengt.

De eerste keren is het volgen van enkele stappen of meters al voldoende om een positie geconditioneerd signaal te horen en de bal uit onze handen te krijgen. Indien nodig hebben we dus nog een tweede bal bij de hand als de hond nog moeite heeft de bal gelijk te komen brengen en af te geven. Duurt het te lang voordat hij zijn bal krijgt gedurende het volgen dan treedt er verlies aan activiteit op. Het gevolg kan zijn snuffelen, geeuwen, riembijten of ander ongewenst gedrag. Langzaam wordt de lengte van de volgoefening uitgebouwd.

De lichaamstaal van de geleider bij het volgen is erg belangrijk. Ritme en het tempo, de beweging van de ledematen, de stand van het lichaam, pas lengte, lichaamshouding en het inzetten van het linkerbeen (actieve been) spelen een grote rol bij het gekregen resultaat. Een vast patroon in de lichaamstaal geven aan welke bewegingen aanleiding geven tot een volgende beweging of een gewenste handeling van de hond! Het mag duidelijk zijn dat de lichaamstaal positief moet overkomen bij de hond.


10.9 Volgen met wendingen

Leer de wendingen één voor één aan.

Dus eerst rechtsom leren. Gaat dit goed dan...

De linksom leren. Gaat dit goed dan...

De linksom en rechtsom door elkaar oefenen. Gaat dit goed...

Keerwending leren. Mijn voorkeur gaat na met de hond achter de geleider om, want gaat dit goed...

Gelijk na de keerwending een hoek van 90 graden rechtsom gaan maken om de hond te verrassen en daardoor een snellere aansluiting aan de voet te krijgen.

Uiteindelijk moet het zo worden, en dan spreek ik over het moment dat we al een heel eind verder zijn gekomen in de opbouw van de hond, dat deze zich gaat concentreren op een mogelijk komende wending. Hij moet dan weten dat het niet perfect uitvoeren van een wending pijn geeft, een goede wending driftbevrediging. Dit houdt de hond in drift, je houdt zijn aandacht. Slechte zaak is het als de hond weet dat er naar een 30 - 40 meter een hoek komt. De spanning van wat er gaat komen behoort te blijven.

Het niet correct volgen (geen aandacht, snuffelen, kop omlaag etc.) moet gecorrigeerd worden d.m.v. een wending (met pijn). Zeker niet bij het niet correct volgen aandacht gaan vragen met de bal (=beloning). Zo wordt ongewenst gedrag alleen maar beloond. Alleen goed actief volgen met het uitvoeren van een correcte wending mag driftbevrediging geven, al het andere geeft nu alleen maar pijn.

Ook het voordringen wordt nu helemaal onderdrukt door pijn. Honden die hardnekkig blijven voordringen kan men een lijn om aan doen die om de liezen loopt en boven op het achterwerk stropt. Je laat de lijn achter je eigen rug langs lopen en houdt hem vast in je rechterhand. Correcties met de lijn kunnen nu goed gedoseerd worden en wordt tevens de hond bij een correctie op de gewenste positie getrokken.

Een goede gebruikshond mag hier geen moeite mee hebben. Dit omdat een goede gebruikshond zich kenmerkt door bij dwang en pijn niet in het vermijden te blijven, maar dwang en pijn om te zetten in activiteit!

Het halt houden en gaan zitten aan de voet wordt heel langzaam in de oefening ingebouwd. Belangrijk is dat de hond in drift gehouden wordt als deze aan de voet zit.

Lichaamshouding en dergelijke dragen hier aan bij.

Blijf echter er voor waken dat men de hond niet te hoog in drift brengt!


10.10 HIER roepen en het VOORZITTEN

Dit zijn twee zaken die men uit elkaar moet gaan halen gedurende het trainen.

Met het HIER roepen moet men eerst bereiken dat de hond zeer snel komt. Het voorzitten gaan betrekken bij deze oefening haalt alleen maar de snelheid uit deze oefening!

Dus het HIER roepen moet eerst snelheid brengen. Beste kan men gaan werken met hulp van een tweede persoon. Deze houd je hond vast en jij verwijder je op ongeveer 30 meter van de hond. Op het commando HIER laat deze tweede persoon je hond los, mits de hond op dat moment ook aangeeft graag te willen gaan. Wordt de hond losgelaten dan geeft je het positief geconditioneerde signaal. Is de hond vlak bij je dan gooi je een balletje door je benen achter je en laat je de hond tussen je benen door razen (tweede bal nog altijd eventueel stand-by houden). De stand van de oren is een goed hulpmiddel om te zien hoeveel stimulans een geleider moet geven op het moment dat de hond wordt losgelaten. Liggen de oren namelijk tegen de kop van de hond aan dan duidt dit op snelheid. Komen de oren gedurende het aankomen omhoog dan duidt dat op afremming van de snelheid. Hier kan men dus goed op gaan inspringen met een eventuele snelheid verhogende maatregel.

De oefening voor gaan zitten moet men dus los gekoppeld houden van de oefening HIER roepen. Het voor gaan zitten oefent men met de hond kort op hooguit drie meter. Deze loskoppeling van deze twee oefeningen moet men zolang mogelijk volhouden. Tevens is het zo dat ook het commando VOET los gekoppeld moet worden van het voorkomen en het voorzitten.


10.11 Commando VOET

Voet laat ik bij voorkeur de hond uitvoeren met een loop beweging achter de geleider langs. Dit omdat ik dit de gemakkelijkste manier vind om de hond VOET aan te leren.

Men brengt hiervoor de hond met de bal in drift en geeft het commando ZIT. De hond heeft op dat moment een twee meter lijn aan. Men gaat voor de hond staan, doet de lijn rechtsom achter de rug langs en houd hem in de linker hand vast. Deze linker hand bevindt zich een beetje op de rug. Men geeft het commando VOET en op dat moment stapt men met alleen het rechterbeen een stukje naar achteren, waardoor de hond wordt geactiveerd en er ruimte komt om achter langs om de geleider getrokken te worden met de lijn. Men zorgt er voor dat de hond netjes aansluit aan de voet. Uiteraard probeert men de hond zoveel mogelijk in drift te houden.

Gaat de hond goed reageren op het commando en gaat de uitvoering goed, dan gaat men de lijnhulp en rechterbeen hulp afbouwen. Het is een goede zaak de voetoefening niet te snel te gaan combineren met andere oefeningen waar deze voetoefening een deel van uit maakt.


10.12 Apporteren

De beschreven methodiek gaat uit van een opbouw van het apporteren door middel van de methode van motivatie verankering. Het leren van de apporteeroefening op deze wijze vormt een basis voor de opbouw van het geur detectiewerk. Het moet een situatie creëren dat de hond graag een voorwerp wil bemachtigen om deze vervolgens graag naar de geleider te brengen.

Ik spreek bij de beschrijving over een apporteerblok maar desgewenst kan een ander voorwerp ook gebruikt worden, zoals bijvoorbeeld een geurpijp.

De opbouw van deze methoden bestaat uit een aantal fasen.

-Conditioneren op bal/blok + geleider

-Hierbij een verankering plaats laten vinden van snelle toenadering van de geleider met het blok op basis van positieve motivatie

-Tevens hierbij ongewenst knagen, schudden, voorwerp laten vallen etc voor te zijn, dit door o.a

-De hond met het blok in zijn bek de geleider achterna laten lopen

-De hond "stressvrij" het blok af laten geven

-Langzaam de opbouw gaan afronden richting het laten uitvoeren van een gehele correcte apporteeroefening, voor zover men dit noodzakelijk vindt.

Deze methode rust op de wetenschap dat het toekomen naar de geleider het probleem is bij het apporteren. Immers voor het naar het blok toegaan is de hond zeer snel in buitdrift te brengen. Voor het brengen naar de geleider toe kunnen we dit niet zeggen! Enige dwang hierbij, al dan niet in combinatie met beloning, geeft altijd enige vermijdgedrag. Daarom is ook één van de pijlers van deze methode van motivatie verankering gebaseerd op het eerst aanleren van het in buitdrift benaderen van de geleider om te gaan apporteren. De hond moeten corrigeren bij het benaderen van de geleider moet gewoonweg niet nodig zijn/mag nimmer gebeuren. Dit betekent dat het blok nooit bij de opbouw van het apporteren van de hond weggegooid wordt!! Men voert een leerproces uit waarbij het blok altijd voor de hond en de geleider is, dus altijd tussen de geleider en de hond in! Verder voorziet de methode een opbouw van een gemotiveerd voorzitten voor de geleider en een rustig "stressvrij" gemotiveerd afgeven van het blok. In de praktijk ziet het geheel er als volgt uit.

Allereerst zal een voorwerp zodanig geconditioneerd moeten worden dat de hond deze graag en snel naar de geleider brengt. Als we het over een zeer jonge hond hebben (circa 3 à 4 maanden) is de vooraan in dit hoofdstuk beschreven methode van het conditioneren op de geleider een zeer goede voorbereiding op het apporteren. Immers deze methode leert de hond snel en graag gemotiveerd een voorwerp naar de geleider te brengen. Als deze conditionering op de geleider voor een groot deel is afgerond kan men de methodiek langzaam gaan omschakelen zodat deze meer in het belang komt te staan als voorbereiding voor de apporteeropbouw. Als men de hond daarbij uiteindelijk zo ver kan krijgen om tegen de geleider op te springen om met de geleider een trekspelletje uit te voeren, dan zou het ideaal zijn de hond nu al te leert dat als hij het voorwerp volvasthoudt zonder te verbijten hij het voorwerp mag winnen. Na dit winnen is het zaak dat de hond weer direct tegen je aanspringt om het spel voort te zetten of dat je met de hond gaat lopen. Over het lopen met de buit zodadelijk meer. Een hond alleen met het voorwerp te laten spelen of er op te laten knagen is absoluut foutief. Hiermee verkrijgt men geen verdere conditionering op de geleider en leert men de hond tevens de eerste ongewenste gedragingen aan. Immers is de hoofddoelstelling in deze fase de hond zijn aandacht op het trainingsterrein volledig te conditioneren op de geleider en daarnaast een gezamenlijk spel/motivatie object te creëren. Dit spelen is dus heel anders dan de piepers/knotsen etc waarmee de hond thuis mag rondstappen! Gebruik in deze periode nooit het commando APPORT. Het commando APPORT mag men pas daadwerkelijke gebruiken in latere fase van de opbouw in het apporteren.

Is de hond nu ouder en brengt de hond snel, graag en gemotiveerd een spel/motivatie object naar de geleider dan kan men starten met de daadwerkelijke opbouw van de apporteeroefening. Nu wordt er ook daadwerkelijk een apporteerblok gebruikt en wordt het spel hiermee volledig gekoppeld aan de regels van de motivatie verankering voor het apporteren. Eventueel kan men nu nog het draagstuk van het blok omwikkelen met rubber of dergelijke. Hiermee maakt men het blok zachter in de bek van de jonge hond. De bal blijven we bij appèltrainingen gebruiken als buitdrift bevredigingmiddel en om de hond geconditioneerd te houden op de geleider.

We vangen nu aan om de hond te conditioneren op het blok. Om dit te bereiken zetten we de hond aan zoals we dat kennen bij het manwerk m.b.v. een rolletje/zakje. We hebben hierbij hulp nodig van een persoon met kennis van zaken. Of deze persoon zet de hond aan met het blok of, wat me logischer lijkt, de geleider zet de hond aan met het blok en het hulpje houdt de hond vast aan de lijn. Heeft de hond duidelijke grote interesse gekregen in het blok, dan gaan we het gedrag van het benaderen van ons met het blok verankeren. Afhankelijk wat op dat moment de mogelijkheden zijn met de hond, laten we de hond of vasthouden door ons hulpje of geven we de hond het commando AF/ZITen BLIJF. Het "AF/ZIT" en "BLIJF" mag nooit gepaard gaan met druk tijdens de opbouw van de apporteeroefening. Niets mag immers de motivatie bij het apporteren in de weg staan! We staan nu een meter of twee van de hond met het blok tussen onze handen laag bij de grond. We geven nu het commando APPORT en tegelijkertijd hitsen we met wat bewegingen met het blok de hond op en lopen we rustig achteruit. Zie hier als het visuele signaal het blok, het commando APPORT is het akoestische signaal. Om vervolgens de hond het blok te laten grijpen. Laat de hond volledig naar het blok komen, met andere woorden, gaat het blok niet in de bek "steken". Als de hond heeft ingebeten dan volgt het trekspelletje zoals we dat kennen met het balletje/bijtrolletje. Dat wil zeggen, heeft de hond het blok vol vast zonder te verhappen dan mag hij het blok winnen. Gedurende dit spel zorgen we ervoor dat al de vier de poten van de hond op de grond blijven. Wat te doen na het winnen komt zodadelijk verder in deze methodiekbeschrijving aan de orde. De eisen van het vol, hard en "droog" bijten op het blok worden in de loop van de opbouw hoger gelegd. Ik heb al aangegeven dat het najagen van het blok dat gegooid is weinig stimulans nodig heeft. De natuurlijke jachtdrift wordt door het gooien al genoeg opgewekt zodat de hond het blok graag zal opnemen. Dit gedeelte van de oefening, het halen van het blok dus, heeft weinig training nodig. Het is juist met het blok in de bek snel benaderen van de geleider wat we nu moeten verankeren in het commando "APPORT" m.b.v. buitdrift. Daarom benadruk ik opnieuw: gedurende de opbouw nooit het blok van de hond weggooien maar altijd ervoor zorgen dat het blok tussen de geleider en de hond in bevindt op het moment dat de hond het blok benaderd na het commando "APPORT"! Het commando APPORT mag dus niet gekoppeld worden met het zich verwijderen van de geleider!

Het conditioneren van het commando "APPORT" op het benaderen van de geleider met het blok heeft veel tijd nodig. Deze tijdsduur is onder andere afhankelijk van de leeftijd van de hond, trainingsuitwerking, wezen van de hond etc. In de regel kan men zeggen dat een hond 25 tot 30 oefeningen nodig heeft om iets onuitwisbaar in het geheugen te krijgen ( om dus een zogenaamde "FORMATIO RETICULARIS" te bewerkstelligen). Voor verankering van het gedrag heeft de hond 60 tot 70 oefeningen nodig. Deze vuistregel geeft dus, bij een dagelijkse korte oefening, een verankering na 2 maanden. Houdt men zich niet aan de tijd die nodig is voor verankering dan heeft het toepassen van de methodiek geen zin. Het maakt nu eenmaal deel uit van de methodiek en houdt men zich niet aan deze regel dan kan men stellen dat men zonder doordachte methodiek iets voor elkaar wil krijgen. Dit kan alleen maar teleurstellend aflopen.

Met het verankeren van het gedrag bij het commando "APPORT" hebben we de situatie waarbij de hond het blok heeft mogen winnen. Op dat moment komt weer een regel om de hoek kijken dat deel uit maakt van het doelgerichte leerspel waaraan men zich absoluut moet houden. Deze regel luidt dat op het moment dat de hond het blok heeft gewonnen mag men absoluut niet overgaan tot het afnemen van het blok. Immers het naderen van de geleider met het blok in de bek mag niet gekoppeld worden aan het daarna af moeten geven van het blok. Dit zou alleen maar de motivatie blokkeren om met het blok snel de geleider te benaderen! Sterker nog, het zou voor de hond een reden kunnen worden om met het blok er vandoor te gaan. Daarom wordt na het winnen van het blok het spel voortgezet in de vorm van het rondlopen met het blok. Hierbij wordt dan de hond aan een korte lijn meegevoerd en belonend toegesproken. De hond behoord zich tijdens het lopen winnaar te voelen van het buitspelletje. Het moet dus voor de hond een ereronde zijn. Het mag echter niet zo zijn dat de hond de gedachte krijgt dat bij het lopen men hem achterna loopt, met hierbij als mogelijke doelstelling het blok af te willen nemen! Als teamleider lopen we van de hond vandaan en behoort de hond ons te volgen met het blok in zijn bek. Zouden we de hond achterna lopen of ons door hem voort laten trekken, dan geven we de hond ruimte om te kunnen imponeren. Dit imponeren kan de oorzaak zijn dat de hond zelfstandig het spel met het blok gaat bepalen en dus gaat domineren. Bij het de hond laten lopen met het blok in zijn bek moet men in de loop van de trainingen enkele variaties in gaan bouwen. Zo kan men beginnen met wat tempowisselingen tijdens het lopen, even stil gaan staan om vervolgens weer te gaan lopen etc. Het lopen moet met zich mee gaan brengen dat de hond gemotiveerd wordt het blok langer en rustig vast te houden.

Het lopen is tevens de voorbereiding voor het moment dat de hond stressvrij het blok moet afgeven. De voorbereiding hierop is onder het lopen de hond een keer aanhalen en even halt houden. Onder geen beding mag de hond het langzamer gaan lopen, halt houden of het aanhalen gaan koppelen met het moeten afgeven van het blok. Ideaal is het als men kan halt houden en de hond aanhalen waarbij de hond dan rustig met het blok in zijn bek blijft staan. Er kunnen echter heel wat trainingen overheen gaan voordat men deze ideale situatie kan bewerkstelligen . Dit is de reden waarom ik nu vier mogelijke "afneem"-methode van het blok zal beschrijven. De keuze van de methode die men maakt voor het afnemen van het blok zal dus afhankelijk zijn wat op dat bewuste moment de meest gunstige is. Een goede voorbereiding en timing zijn hierbij uitermate belangrijk. Vergeet niet, het trainingstechnisch correct afnemen van het blok is een van de belangrijkste zaken bij deze apporteermethodiek. Voer men dit foutief uit dan zal hiermee de doelstelling van de methodiek een onhaalbaar iets worden!

Het afgeven van de buit moet voor de hond een positieve ervaring worden en zeker niet leiden tot grote frustraties bij de hond. Ik zal vier bekende afgeefmethode beschrijven. De keuze van de methode die men toe wil gaan passen behoord dus de meest ideale te zijn op het betreffende moment.

1)Van Helmut Raiser komt het "los en drift". Bij deze methode moet de hond de buit lossen op commando om vervolgens binnen een seconde de hond weer in drift wordt gebracht d.m.v. het ophitsen met de buit. Het goede van de methode berust op het feit dat de belevenis van het in drift komen vele malen sterker is dan de eventuele frustratie van het moeten lossen van de buit.

2)Van Jaki Horst komt het "lossen door het in rust komen". De in drift gebrachte hond maakt buit en komt tot rust. Dit tot rust komen is dan het gevolg van de ontspanning die ingebouwd is d.m.v. rustig aanhalen, toespreken etc. Door de hond "AF" te laten gaan met de buit kan men vaak deze ontspanning ook bewerkstelligen. Komt de hond tot rust, met andere woorden, zakt de drift weg, dan lost de hond vaak de buit uit zichzelf. Zoniet, dan laten we de hond, nu laag of niet meer in drift, de buit op commando lossen. Na het lossen blijft de rust, dat wil zeggen, men houdt de hond nog enige tijd uit drift en we gaan niet de drift snel aanwakkeren door de buit snel van de hond vandaan te nemen.

De laatste twee methode die ik ga beschrijven vind ik minder om toe te gaan passen maar voor de volledigheid vermeld ik ze

3)Van Motz komt "lossen als gevolg van afleiding". Hierbij wordt, nadat de hond enigszins tot rust is gebracht, d.m.v. een tweede buit die de geleider in zijn hand heeft de hond in de verleiding gebracht de buit uit zichzelf of op commando te lossen. Dit lossen is uiteraard stressvrij doordat er drift is na de tweede buit. We hebben dit principe al gezien bij "de hond conditioneren op de geleider" zoals al beschreven in het begin van dit hoofdstuk. Nu vind ik juist het feit dat de hond mogelijk het blok laat vallen zonder commando het grote nadeel van deze methode. Het kan het belang schaden dat de hond moet leren het blok lang en rustig vast te houden.

4)De vierde methode is "lossen door te verrassen". Bij deze methode wacht de geleider het moment af dat de hond het blok even iets minder hard vast heeft en dan hem verrast door deze snel uit de bek te trekken. De zwakte in deze methode zit hem natuurlijk dat de hond zich op een bepaald moment niet meer laat verrassen en men een averechts effect kan bewerkstelligen!

Voor welke "LOS"-methode men ook kiest, het moet uiteindelijk zo zijn dat de hond het lossen zodanig ervaart als een positieve handeling. Met andere woorden, de hond moet gemotiveerd zijn om te lossen. Vooral als de hond weet dat het lossen weer drift zal brengen zal het moeten lossen eerder voor de hond een vrijwillig afgeven worden!

De volgende uitbouw van deze trainingsmethodiek ziet er als volgt uit. In plaats van het blok laag bij de grond tussen onzen handen te houden gaan we het blok nu voor onze voeten op de grond leggen. Het wegleggen van het blok doen we langzaam voor de ogen van de hond en we proberen hierbij zoveel mogelijk positieve spanning bij de hond op te bouwen. De afstand tussen ons en de hond gaan we gedurende de verschillende trainingsdagen langzaam vergroten. Op commando behoort de hond steeds het blok op te nemen wat voor onze voeten ligt, waarna we ons in achterwaartse beweging zetten en de hond ons achterna laten komen om vervolgens na een paar meter achteruit te zijn gegaan het blok aan de uiteinden vast te pakken. Nu volgt de afwerking van de oefening met het trekspelletje, het laten winnen, het lopen en het afnemen van het blok zoals hiervoor beschreven. De variaties in het lopen met tempowisselingen en springoefeningen die men langzaam in de oefening gaat inbrengen zijn hierbij genoemd. De verdere uitbouw voor wat betreft het op laten nemen van het blok mag duidelijk zijn. Echter moeten hier een aantal gouden spelregels gehanteerd worden om een goede opbouw overeind te houden.

-We gaan nog steeds nimmer het blok van ons vandaan gooien terwijl de hond naast ons bevindt. Met andere woorden, de richting van de hond naar het blok toe blijft altijd tevens de richting naar ons toe!

-De afstand die we van het blok nemen dat we voor ons op de grond hebben gelegd mogen we af en toe wat groter maken. Echter moet zo zijn dat in de meeste gevallen dat we de oefening uitvoeren het blok niet meer dan op een halve meter voor onze voeten ligt.

-Dat we de hond ons laten benaderen of dat we de hond aanhalen mag in de ogen van de hond niet het teken worden dat we hem het blok willen gaan afnemen. Het afnemen van het blok op zich moet stressvrij blijven geschieden.

-Ga variëren met de apporteervoorwerpen die men gebruikt bij de oefeningen. Gebruik zware, lichte, grote, kleine, houten, kunststof en metalen voorwerpen door elkaar.

-Komen er fouten tijdens de trainingen naar voren doe dan op tijd enkele stappen terug in de opbouw.

Is de opbouw gedurende de trainingen goed verlopen dan naderen de laatste stappen van het aanleren van het apporteren.

Indien men voor de praktijk het wenselijk vindt, wordt het voorzitten en het afgeven van voorwerpen de hond geleerd met een aantal tussenfasen. De eerste tussenfase is dat we de hond naast ons laten zitten en het blok op bekende wijze laten afgeven. De volgende fase is dat we de hond naast ons laten zitten, wij zelf voor onze hond gaan staan en het blok laten afgeven. Vervolgens leren we de hond na het lopen direct voor ons te gaan zitten om vervolgens het blok af te laten geven. Deze tussenfasen dienen alleen maar om het geheel zo stressvrij mogelijk op te bouwen.

Een van de laatste zaken die we er in gaan brengen is de hond te leren het blok op te nemen om vervolgens om te draaien en naar ons toe te begeven. Om te testen of de hond doet kunnen we de hond op de bekende wijze op commando APPORT naar ons toe laten komen terwijl we het blok tussen onze handen hebben. Is de hond enkele meters van ons verwijderd dan gooien we het blok door onze benen een meter achter ons. Heeft de hond het blok opgenomen en draait hij zich om dan volgt de bekende afwerking met trekken aan het blok, winnen, lopen en afgeven. Gaat dit enkele keren goed dan kunnen we in plaats van het blok door onze benen te gooien het blok al voor het commando achter ons leggen. De denkwijze van de verdere opbouw van deze apporteermethode mag duidelijk zijn.


10.13 Af met afleiding

Daar deze oefening in de regel geen problemen geeft wil ik er niet te woorden aan besteden. Kwestie van rustig opbouwen. Heeft men gezag over de hond, zal deze oefening geen problemen opleveren. 

Met dank aan: Jan Oostland
Website: www.oostland-diensthonden-opleidingen.nl
Datum: 15-04-2012