20-02-2011    

De wolf als voorvader

De hond stamt af van de wolf. In het gedrag van de hond zien we dan ook erg veel terug van de wolf. Door kennis over de wolf en zijn gedragingen kunnen we meer inzicht krijgen in de hond. We weten dan voor zijn opvoeding beter wat we moeten doen, wanneer we dat moeten doen en waarom we dat moeten doen. Al leeft hij al enkele tienduizenden jaren samen met de mens, nog steeds vertoont hij veel overeenkomsten met zijn wilde stamvader.
Wolven leven in groepen, die roedels worden genoemd. Afhankelijk van de voedseldichtheid van het jachtgebied varieert de roedel in grootte van zo’n 20-30 dieren. Iedereen kent elkaar. Samen zorgen ze voor de opvoeding van de jonge wolven, de verdediging van het territorium en de instandhouding van de onderlinge rangorde. Ook de jacht (voor de voedselvoorziening) doen ze gezamenlijk.

De wolf met het meeste overwicht heet de Alpha. Dit is meestal een reu, maar kan ook een
teef zijn. Deze wolf staat het hoogste in de rangorde.


De rangorde binnen de roedel wordt continue bevestigd. Zo zal de Alpha nooit naar een andere wolf toegaan, zijn
roedelgenoten komen altijd naar hem toe, met de oren, de kop en de staart laag. De Alpha zelf heeft in die situaties altijd de oren, kop en staart hoog staan en stelt zich ook in zijn geheel hoger op dan de ranglagere.

De Alpha wenst rust in de roedel. De wolvenroedel kan het zich namelijk niet eroorloven dat enige energie wordt verspild, en problemen rondom de rangorde
veroorzaken beslist verspilling van energie. Als een van de roedelgenoten probeert een stapje hoger in rang te komen, grijpt de Alpha onmiddellijk in en zijn bedoeling komt zeer duidelijk over. Verkeerd gedrag wordt nooit getolereerd. Het wordt consequent afgestraft. Als de wolvenpups voor het eerst uit hun nestplaats komen, wordt hun direct duidelijk gemaakt wie de baas is. De Alpha schudt ze door elkaar totdat ze piepen en zich overgeven. De meeste pups doen dit dan ook direct. Wie zich niet overgeeft, wordt gedood. Het lijkt wreed, maar dergelijke pups zijn niet normaal en kunnen in de roedel later problemen veroorzaken. Later daagt de Alpha de pups uit. Hij pakt bijvoorbeeld een lekker stuk bot, knaagt er wat aan en laat het vervolgens liggen. Als de pups het wagen eraan te komen, wordt hun op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt dat deze knook van de Alpha is, en van niemand anders! Als een Alpha niet voldoende overwicht heeft, wordt hij “afgezet”. Een andere Alpha neemt zijn plaats in, en de ex-Alpha kan de roedel verlaten of aanblijven, maar dan wel als laagste in rang.

U bent een

Uw gezin als roedel

Een heel belangrijk gegeven is dat een hond, afstammeling dus van die sociaal levende wolf, de mens ziet als hond. Voorwaarde is wel dat die hond in zijn vroege leven tussen mensen is opgegroeid. De opgroeiende hond ziet ons dan als een soortgenoot. Samen met het gezin vormt hij een roedel waarin wij (als het goed is) hoger in rang staan dan hij. Het is dan ook van groot belang dat wij met hem communiceren zoals honden en wolven dat onderling ook doen.

In uw roedel is de hond de laagst geplaatste, met uitzondering van baby’s, die beschouwt de hond als lager in rang dan hijzelf. Wanneer de kinderen ouder worden, stijgen ze vanzelf in de rangorde. Een hond is een sociaal levend wezen. Het is een dier dat normaal gesproken in roedelverband leeft. Hetzelfde vinden we terug bij mensen. Om in een dergelijk roedelverband te kunnen functioneren is het noodzakelijk dat er een aantal; regels zijn waaraan elk individu zich heeft te houden. Het leven binnen een sociale groep leidt tot regels en dit maak een duidelijk communiceren onderling noodzakelijk. In een roedel met wolven heerst een duidelijke rangorde. Een van de wolven is de roedelleider. Iedereen binnen de roedel volgt deze leiden trouw. In gezinsverband moeten we deze situatie nabootsen. Uw hond staat helemaal onderaan de roedel. Hij heeft de laagste rang. Boven de hond komen dus de overige gezinsleden. Deze rangorde moet bij iedereen duidelijk zijn. Voor veel mensen is dit tamelijk moeilijk. Mensen hebben graag inspraak. Men verwacht dit ook van een hond en vindt het moeilijk om consequent te zijn. Een hond is echter geen democraat maar heeft behoefte aan de duidelijke consequente leiding. Hier heeft hij, vanuit zijn natuur, ook recht op.


Is de rangorde in het gezin niet duidelijk dan voelt de hond zich geroepen om de taak van roedelleider op zich te nemen. Niet omdat hij dominant wil zijn, maar omdat een hond behoefte heeft aan leiding. Is er geen duidelijke leiding, dan kan uw hond de roedelleider worden, met alle nare gevolgen van dien.

Omdat er in onze maatschappij geen plaats is voor een hond die de baas is, moet u hem en uzelf hiervoor behoeden. Wat kan er in een dergelijke situatie namelijk gebeuren? Het kan zijn dat u gebeten wordt omdat u op “zijn” plaats op de bank zit of omdat u uw partner omarmd. Of de hond achtervolgt fietsers en valt ze zelfs aan, allemaal omdat u niet baas genoeg was om hem onder controle te houden. Zeker als er kinderen gevaar lopen, zal het niet lang duren eer u zelf of uw omgeving (politie) tot de conclusie komt dat de hond vals is en hem laten euthanaseren. Afmaken is hiervoor het iets hardere woord. Terwijl niet de hond, maar U de fout in bent gegaan, U hebt de situatie compleet uit de hand laten lopen. U was niet duidelijk genoeg baas, U was niet consequent, U toonde geen overwicht. Schrikken? Dat is ook de bedoeling. Want samen met honden met een verkeerde socialisering vormen honden met rangordeproblemen de grootste groep “klanten” voor gedragsdeskundigen. Als u hierdoor hebt begrepen dat uw lieve kleine schattige pupje goed moet worden opgevoed, voorkomt u al deze ellende, zowel voor uzelf als voor uw hond. U bent dus de Alpha. Van u wordt verwacht dat u leiding geeft, in alle situaties. U eist dat uw bevelen worden opgevolgd, zonder tegenspraak. U moet, net zoals bij de wolven, onvoorwaardelijk worden gehoorzaamd. Zo niet, dan moet u onmiddellijk en, indien nodig, krachtig ingrijpen. Van uw hond wordt geen enkel initiatief verwacht. Wees een zorgzame, vriendelijke Alpha maar wel duidelijk en consequent!! Dat uw hond onderaan de roedel staat, betekent niet dat u niet van uw hond mag houden en hem regelmatig een knuffel mag geven !!!

Voorbeelden van gedrag dat u nooit mag tolereren

grommen bij de voerbak;                  
grommen bij zijn kluifje;
grommen wanneer hij in zijn mand ligt;
trekken aan de lijn;
opdringerig aandacht vragen;
uitvallen naar andere honden;
uitvallen naar vreemden;
niet mogen borstelen;
doorblaffen bij de deurbel;
te hardhandig spelen.

Kinderen en de hond

Laat kleine kinderen nooit alleen met uw hond. Als hij zich aangevallen of in het nauw gedreven voelt, zal zelfs de liefste hond (letterlijk) van zich afbijten. Stelt u zich eens voor dat uw kleine peuter in uw afwezigheid de hond in het oor schreeuwt, zich aan zijn oor omhoog trekt, over de hond heen kruipt en hem met een speeltje op zijn kop slaat; of dat uw baby nieuwsgierig zijn vingertje in zijn neus, ogen of oren stopt. Als uw hond hierop al niet reageert en zich, moe van alle pesterij, tenslotte terugtrekt in zijn mand (zijn veilige plaats), kan het ook nog gebeuren dat uw kleine hummel vrolijk achter hem aan rent, niet begrijpend wat dat gegrom en die ontblote tanden nu toch te betekenen hebben. Het niet alleen laten geldt trouwens niet alleen voor kleine kinderen. Ook iets oudere kinderen kunnen nog niet altijd goed inschatten wanneer de hond er genoeg van heeft. Bij een wat dominante hond kunnen ook vervelende situaties ontstaan als ze iets van hem eisen waar hij geen zin in heeft. Bij afwezigheid van de dominante roedelleider zal de hond menen dat het kind zijn plaats in de rangorde niet kent en dat hij het hiervoor moet corrigeren.
Zoals bij de wolven gaat een lager geplaatste altijd naar een ranghogere toe. Laat kinderen dan ook nooit naar een hond toelopen. Bij gebrek aan overwicht worden de kinderen hierdoor in de ogen van de hond lager in rang, wat weer een gevaarlijke situatie kan opleveren. Laat ze de hond bij zich roepen. Hiermee bevestigen zij hun hogere rang en tenzij de hond er nare herinneringen aan heeft, zal hij (zeker als pup) het prachtig vinden om met kinderen te spelen.
Maak uw kinderen ook goed duidelijk dat de jonge hond nog zeer veel rust nodig heeft. Als hij slaapt, moeten ze hem dan ook rustig laten liggen. Als hij wakker wordt, begint hij vanzelf weer te spelen.

Lichaamstaal

Hieronder ziet u twee voorbeelden van lichaamstaal bij honden beschreven. Het betreft hier twee uitersten.De dominante hond heeft een rechte lichaamshouding, met de oren en de mondhoeken naar voren, de staart en de haren op de rug omhoog. De onderdanige hond heeft een gedrukte lichaamshouding, met de oren en de mondhoeken naar achteren, en de staart laag. Nog onderdaniger zou het zijn als deze hond op zijn rug ging liggen en zijn keel zou aanbieden. Als uw hond tegenover u meestal een dominante houding aanneemt, moet u goed op uw hoede zijn. Waarschijnlijk is hij bezig de baas in huis te worden, met alle gevaren voor hem en uzelf van dien. Het is tijd de touwtjes weer duidelijk in handen te nemen. Een paar manieren hiertoe:

Negeer hem als hij om aandacht vraagt (draai uw hoofd “hoog” af, met de neus in de lucht), of stuur hem weg, in zijn mand.

Als u hem toch aandacht wilt geven, roept u hem na 5 minuten alsnog uit zijn mand. U laat hem zitten voor u hem aanhaalt.

Hij eet altijd na u.

Voor wat hoort wat, ook bij het eten. Laat hem zitten of, beter nog, gaan liggen voordat u de bak neerzet. Hij mag pas eten als u het zegt.

Met spelen wint u altijd. Laat hem ook tussendoor nooit winnen. Na het spelen bergt u het speeltje waar het om ging weer op. Het is van u!

Hij mag beslist niet (meer) op de bank of bij u in bed. Dan kan hij zich namelijk letterlijk boven u stellen, wat hem een lekker dominant gevoel geeft.

U gaat als eerste het huis of de kamer in en uit.

U zorgt ervoor dat hij u altijd gehoorzaamt. Geef hem niet de kans onder uw commando uit te komen.

De bedoeling van dit alles is dat u weer duidelijk het leiderschap op u neemt. De hond mag absoluut geen kans meer krijgen om het initiatief te nemen. Alleen u mag dat doen.
Overigens moet u een dominante hond niet met een attente hond verwarren: de oren staan naar voren, de rest is dan meestal in “neutrale” stand (niet dominant, niet onderdanig).
Als u uw hond corrigeert en hij neemt een deemoedige houding aan, straf hem dan niet verder. Het bericht is dan al doorgekomen, en verder corrigeren maakt uw hond onzeker.
Nog even een misverstand uit de wereld helpen: kwispelen is niet altijd teken van vrolijkheid en vriendelijkheid, maar vaak gewoon van opwinding. Ook agressie is opwindend, dus het kan goed zijn dat als uw hond heel hoog staat te kwispelen naar een andere hond, hij op het punt staat te gaan knokken!

Bij alle honden is deze lichaamstaal terug te vinden. Iets om bij stil te staan is echter wel, dat bijna iedere rasstandaard weer een verschillende stand van oren en staart voorschrijft (indien deze al niet gecoupeerd wordt). Ook de vacht kan voor verwarring zorgen, doordat deze het zicht op zijn lichaamstaal kan ontnemen (een extreem voorbeeld hiervan is de Bobtail). Voor een pup is het zeer belangrijk dat hij de eerste paar maanden zoveel mogelijk verschillende honden(rassen) meemaakt, zodat hij al deze verschillen kan leren kennen en hij later alle honden die hij tegenkomt goed kan begrijpen.


2. Een goede start


De ontwikkelingsfases

Net als de wolf doorloopt ook de hond tot zijn volwassenheid een aantal fases:

0 - 2 weken: Vegetatieve fase: in deze periode zijn de voornaamste “activiteiten”
eten en slapen. De ogen en oren zijn nog gesloten, de hond beleeft de wereld om
hem heen uitsluitend via zijn neus en zijn tastzin.


2 - 3 weken: Overgangsfase: de ogen en oren gaan open, de pup begint de wereld
om hem heen te verkennen.

3 - 16 weken: Socialiseringsfase: de pup verkent zijn wereld verder, speelt met
nestgenoten, leert hondentaal, leert wie zijn soortgenoten zijn. Deze fase is onder te
verdelen in de tijd dat de hond nog in het nest is en de periode vanaf het moment
dat hij bij u in huis komt.

4 - 6 maanden: Juveniele fase: de pup leert zijn lichaam steeds beter beheersen en
hoe de rangorde in elkaar zit.

Vanaf 6 maanden: Puberteitsfase: de hond gaat uitproberen hoe strak de regels in
de roedel gehanteerd worden.

De socialiseringsfase is van deze fases eigenlijk de belangrijkste. Hierin moet hij snel leren hoe de wereld om hem heen in elkaar zit, wat leuk is, wat gevaarlijk, wat normaal. Daartoe heeft hij van nature in deze periode een enorm leervermogen. Wordt deze periode onvoldoende benut, dan heeft de pup een achterstand die hij niet, dan wel slechts zeer moeizaam kan inhalen. In de periode dat de pup nog in het nest zit, moet hij (onder andere) leren de mens als soortgenoot te zien, anders is hij later eigenlijk ongeschikt als huisdier. Het is dan ook van enorm belang dat hij in deze tijd behalve honden ook veel mensen om zich heen heeft gehad, bijvoorbeeld omdat het nest in de woonkamer werd gehouden. Een pup uit een schuurtje achteraf, die weinig kans heeft gehad om mensen als soortgenoot te leren kennen, heeft een onoverbrugbare achterstand in zijn socialisatie.


Vanaf het moment dat de pup bij u in huis komt, moet hij zoveel mogelijk verschillende indrukken opdoen. Geeft u hem die kans niet, dan zal uw hond zich in zijn eigen omgeving met voor hem normale situaties evenwichtig gedragen. Zodra hij echter in een nieuwe situatie komt of er iets verandert in zijn vertrouwde omgeving, zal hij angstig reageren. Een extreem voorbeeld hiervoor is een pup die in deze periode nooit zijn kennel heeft verlaten. Als een dergelijke hond later uit zijn kennel wordt gehaald, kan hij volslagen in paniek raken, waarbij hij uit pure doodsangst naar alles zal bijten wat in zijn buurt komt. De hond heeft dan kennelsyndroom. Hieraan is helemaal niets meer te doen.
Als het goed is, is de fokker al een beetje begonnen met de pups aan bepaalde situaties te laten wennen. Een fokker heeft vaak echter weinig tijd voor individuele aandacht.


Neem uw pup dan ook zoveel mogelijk overal mee naartoe, in de trein, de bus, de tram en uiteraard de auto. Laat hem kennis maken met andere dieren: paarden (manege), schapen, koeien, geiten (kinderboerderij). Neem hem mee naar vrienden en nodig ook geregeld vrienden uit (die vinden die “kraamvisite” waarschijnlijk allang leuk). Laat hem met zoveel mogelijk mensen kennismaken, zodat hij niet schuw wordt. Neem hem eens mee de stad in, zodat hij aan drukte en menigten leert wennen. Hoe meer indrukken hij nu opdoet, hoe evenwichtiger hij later ook volslagen nieuwe situaties tegemoet zal kunnen treden.
Als er overigens eens iets “engs” gebeurt (knallend vuurwerk, kind fietst over zijn poten heen, hond schrikt van auto), troost de hond dan absoluut niet! Daarmee beloont u namelijk zijn angstgedrag, waardoor hij steeds panischer wordt voor datgene waarvan hij geschrokken is! Beter is het opgewekt door te lopen alsof er niets is gebeurt en zijn aandacht af te leiden, bijvoorbeeld met een speeltje. Alleen zijn is ook iets waaraan uw pup in deze gevoelige fase moet wennen. Later lukt dat niet meer. U leert het hem door geleidelijk aan langer weg te blijven. Het gemakkelijkst is het, als u een kamerkennel hebt, waarin u hem op dit soort momenten kunt opsluiten. Dan voorkomt u in ieder geval dat hij kattenkwaad kan uithalen zie ook De Bench). Het eerste begin is hem alleen in de kamer te laten voor een paar minuten. Langzaam voert u de tijd op. Voorkom dat u teruggaat op het moment dat hij zit te piepen of te blaffen. Anders wordt hij voor zijn “geroep” beloond en zal hij dit in het vervolg blijven volhouden, met als resultaat een hond die niet alleen kan zijn zonder vervelende problemen met uw buren te veroorzaken. Als hij piept op het moment dat u terug wilt gaan, kunt u even op de deur bonken. Van dit geluid zal hij schrikken, zodat hij even stilvalt. Na een aantal seconden gaat u dan naar binnen, waarbij u hem ervoor beloont dat hij stil was op het moment van binnenkomen. Als hij hiermee geen problemen meer heeft, went u hem er op dezelfde geleidelijke manier aan echt alleen in huis te blijven (u gaat dus het huis uit). Een volwassen hond kan ongeveer 5 uur alleen blijven. Een erg mooie manier om uw hond te leren alleen te blijven is met behulp van het trommeltje met lekkers (zie; wat doet uw hond wanneer hij alleen thuis is?) En niet te vergeten: laat hem vooral veel met andere honden spelen, zodat hij de hondentaal grondig leert. Probeer hem hierbij niet in bescherming te nemen en til hem zeker niet op. Hij moet juist leren wanneer hij zich over moet geven en wanneer hij lekker stoer rond kan lopen, wanneer een hond met hem wil spelen en wanneer een hond zijn drukke gedoe zat is. Als u dit niet doet, zal hij later andere honden niet goed begrijpen, ze eng vinden en zelfs uit angst naar ze uitvallen aan de lijn. LET OP! Laat hem, totdat hij volledig door zijn inentingen is beschermd, niet op veldjes spelen waar alle honden uit de buurt steevast worden uitgelaten. Daar kan hij al te gemakkelijk een ernstige ziekte oplopen. Zoals gezegd leert de pup in deze periode razendsnel. Denk nu niet “hij is nog zo klein en lief, dat opvoeden hoeft nog niet, dat komt later wel”. Dit is bij uitstek de periode om hem snel een goede basisgehoorzaamheid bij te brengen. De puberteitsfase is voor de eigenaar vaak heel frustrerend. Het lijkt alsof alles wat de pup geleerd had tijdens de eerste maanden allemaal voor niets is geweest. Hij luistert niet, is Oost-Indisch doof, probeert van alles en nog wat opnieuw uit. Blijf gehoorzaamheid eisen, geef hem geen kans ergens onder uit te komen, blijf Alpha. Na een tijdje zult u zien dat de rust weerkeert en uw hondje weer gaat luisteren. Overigens maakt de hond vaak ng een fase mee waarin hij alles uitprobeert. Tussen 1,5 en 2 jaar, als hij volledig volwassen is, kan het zijn dat hij nogmaals zal proberen hogerop in de rangorde te komen.

De eerste dagen

De pup komt in huis en u wordt direct geconfronteerd met het eerste probleem: zindelijkheid. Een belangrijk ding wordt hierbij van u verlangd, namelijk geduld. Word niet boos als het hondje een plas of een hoopje in huis doet. Beloon hem daarentegen met een lekkernij of met woorden als hij de plas of hoop buiten doet. Iedere keer wanneer de pup wakker wordt, direct na iedere maaltijd en na een beetje druk stoeipartijtje, moet hij in elk geval even naar buiten. Als u hem verdacht ziet snuffelen - u leert de tekenen vast snel herkennen - kunt u hem snel optillen en naar buiten brengen. U hoeft hierbij niet bang te zijn voor vuile kleren. Moeder wolf heeft hem een zogenaamde “plasrem” meegegeven, om te voorkomen dat de pup een geurspoor achterlaat als ze bij gevaar de pup moet vervoeren. Zodra u het hondje optilt, houdt hij alles op. Word vooral niet boos als de hond de eerste nacht(en) huilt; het moet ook geen pretje zijn om door wildvreemden uit je vertrouwde omgeving te wordenweggehaald. U kunt de pijn wat verzachten door hem de eerste paar nachten naast uw bed te nemen, zodat hij zich niet helemaal alleen voelt in het nieuwe, vreemde huis. Daarna kan hij altijd nog naar zijn eigenlijke slaapplaats. Besluit u hier eenmaal toe, dan moet u zich wel even sterk maken: de eerste nacht alleen zal toch wat gehuil veroorzaken. Ga niet naar de pp toe, dan houdt het gepiep op een gegeven moment vanzelf op. Geeft u eraan toe, dan beloont u de pup in feite en zal hij in het vervolg nog hardnekkiger volhouden om toch maar uw aandacht te krijgen. Daarmee doet u noch uzelf, noch uw buren, noch de hond een plezier. Even doorzetten dus. De pup heeft iets nodig om op te knagen. Zorg er dan ook voor dat hij voldoende speeltjes heeft waarin hij zijn tanden kan zetten. Als hij niets anders heeft, zal de pup al gauw aan het tapijt, dat lekkere zachte leer van die schoenen of aan de tafelpoten beginnen. Dit verbiedt u hem meteen met een duidelijk NEE! of LOS! Als hij niet loslaat, legt u duim en wijsvinger over de neus van de pup heen en drukt u aan weerszijden de bovenlippen van de hond tegen de onderkant van de bovenkiezen vlak achter zijn hoektanden. Omdat dit een beetje pijnlijk is, zal de hond zijn bek opendoen. Zodra hij loslaat, beloont u hem (BRAAF!) en geeft u hem een eigen speeltje om op te knagen. Als hij weer het verboden voorwerp pakt, straft u hem iets hardhandiger door hem in zijn nekvel te pakken en iets dreigender te verbieden (lagere, evt. hardere stem). Overigens is het zeer aan te raden voorlopig erg verleidelijke zaken als schoenen, leren tassen e.d. goed op te bergen. Ook ander ongewenst gedrag kunt u het best in de kiem smoren: tegen mensen opspringen, voedsel stelen, oversekst gedrag (“rijden”), te ruw spelen (te hard bijten), joggers, fietsers of auto’s najagen, enz. Voor het uitlaten zult u het hondje ook al snel aan halsband en riem moeten laten wennen. Doe het hondje eerst de halsband om, niet te strak, maar ook niet te los. De eerste dagen zal hij er wat onwennig aan krabben en zijn pootjes of nagels mogen natuurlijk niet blijven haken. Als hij de halsband een paar uur heeft omgehad en er al wat aan gewend is, doet u het riempje eraan. Zo laat u hem wat rondlopen, ervoor oplettend dat hij nergens met de riem achter blijft haken. Als de nieuwigheid er wat vanaf is, kunt u het buiten proberen.

Probeer in het begin uw tempo een beetje aan te passen aan dat van de pup, zodat hij ook aan deze nieuwe situatie weer wat kan wennen. Later kunt u hem met uw stem en een klein rukje aan de lijn terughalen als hij te snel gaat of juist, weer met uw stem en een rukje, vooruit trekken als hij ineens blijft stilzitten. Niet sleuren, noch vooruit, noch achteruit. Dan leert de hond juist dat een strakke lijn normaal is. Zodra de pup netjes aan een slap lijntje loopt, beloont u hem enthousiast met hoge stem. U zult merken dat hij u dan ook weer interessant vindt, waardoor hij nog beter gaat lopen. Oefen dit in het begin hooguit 5 minuten achter elkaar en bouw het langzaam op.

3. Gehoorzaamheid

Gehoorzaamheid, waarom?
Uit het voorgaande is u (denk ik) al het een en ander duidelijk geworden over het waarom van gehoorzaamheid. De volgende voorbeelden maken nog duidelijker dat niet alleen u, maar ook uw goed gesocialiseerde, gehoorzame hond een heel wat aangenamer leven heeft dan een niet goed opgevoede, verkeerd gesocialiseerde hond en zijn baas.


De onopgevoede hond:

1.
sloopt als u er even niet bent de halve kamer en moet daarom in de schuur;
2. blaft en gromt tegen iedereen die aan de deur komt en wordt daarom even opgesloten als er wordt aangebeld (en als de telefoon gaat);
3. gapt het gebak van tafel en gromt tegen de visite, en moet daarom als er visite verwacht wordt weer in de schuur, of zelfs in een pension omdat de buren klaagden over het geblaf;
4. moet altijd goed aan de lijn gehouden worden, anders loopt hij weg;
5. blaft en springt rond in de auto, zodat zelfs een kort tochtje een hachelijke verkeersonderneming wordt;
6. wordt als gast door niemand op prijs gesteld;
7. levert u veel klachten en zelfs dreigementen met de politie op van de buren, vanwege zijn voortdurende geblaf en zijn onvriendelijke gedrag op straat;
8. valt uit aan de lijn uit naar andere honden, dus mag hij niet los;
9. mag nooit mee op vakantie, want tijdens die vakantie heeft de baas alle rust nodig om van de hond bij te komen!

De gehoorzame hond:
1.
mag bij uw afwezigheid los in de woonkamer;
2. mag mee gaan kijken wie er heeft aangebeld;
3. mag er gezellig bij zijn als u visite hebt;
4. mag vaak los bij het wandelen;
5. mag mee in de auto, hij gaat dan rustig van het uitzicht zitten genieten of slapen;
6. mag mee op visite en krijgt veel aanbiedingen om te logeren, want het is een graag geziene gast;
7. bezorgt u geen problemen met de buren;
8. mag veel met andere honden spelen;
9. mag mee op vakantie of anders uit logeren bij hondenvrienden


Dit lijkt u misschien wat extreem gesteld, maar ik denk dat de meeste situaties bij de ongehoorzame hond u vanuit uw omgeving toch wel bekend voorkomen. De gehoorzame hond heeft heel wat meer plezier in zijn bestaan. Hij mag vaak gezellig met de baas op stap en heeft een heel afwisselend leven met veel contacten met zowel mensen als andere honden. Daarnaast bevestigt gehoorzaamheid de rangorde van de hond: u bent duidelijk de Alpha en in uw huis zullen niet gauw rangordeproblemen ontstaan. Bovendien vinden de meeste honden het heel leuk om samen met de baas bezig te zijn. Ook bij uw pup zult u snel merken dat u er baat bij hebt het hondje een aantal basismanieren bij te brengen, zoals lopen aan de lijn zonder te trekken, zitten, liggen en komen als u het zegt. Een aantal wenken om mee te beginnen krijgt u nu.


De basisregels

Voordat u eraan begint uw pup manieren bij te brengen, moet u zich een tweetal regels inprenten voor het opvoeden van honden:

1. Wees consequent:

Eens verboden is altijd verboden, eens toegestaan is voor de hond altijd toegestaan en zeer moeilijk terug te draaien. Bepaal dan ook nu al of de hond later bijvoorbeeld op de bank of zelfs in bed mag. Een eenmaal gegeven commando moet worden opgevolgd. Zorg er dan ook voor dat, als u een commando geeft, u het ook kunt afdwingen. De pup moet u niet kunnen negeren en u moet niet afgeleid worden. Anders is het beter het commando niet te geven.

2. Wees duidelijk:
Uw commando’s moeten voor de hond verstaanbaar zijn.
Uw huisregels moeten duidelijk zijn (ook voor uzelf!).
Overtredingen en ongehoorzaamheid moeten duidelijk en direct worden bestraft.

Het prijzen met uw stem of een aai krijgt nog meer waarde als u het geregeld combineert met een brokje of een andere beloning. Dan krijgt de hond nog sterker de associatie: prijzen is leuk, want prijzen betekent vaak brokje of spelletje. Tijdens de eerste dagen kunt u heel goed gebruik maken van beloning als de pup toevallig iets “goed” doet. Als hij merkt dat hij na een bepaalde handeling een beloning krijgt, zal hij die handeling uiteraard maar al te graag willen herhalen. Voor de zindelijkheid beloonde u hem al zodra hij buiten een plasje of poepje deed. U kunt er echter ook een woord aan verbinden. Als uw pup een plasje gaat doen, geeft u hem een commando, bijvoorbeeld “plassen”. Zodra hij zit beloont u hem uitbundig. Al heel gauw zult u merken dat de pup het woord “plassen” associeert met een plasje doen. Door hem dat verband duidelijk te maken, hebt u hem al een commando bijgebracht. Een verwant onderwerp aan de zindelijkheid in huis is het hondenpoepprobleem buitenshuis. In ons overbevolkte land worden honden niet overal gewaardeerd, grotendeels vanwege de overvloed aan hondenpoep die je op de meest irritante plaatsen aantreft: op de stoep, op kinderspeelplaatsen (gevaarlijk i.v.m. wormen en ziekten), in winkelcentra, in je voortuin (niet van je eigen hond) en onder je schoenen. Hierdoor zijn veel gemeenten overgegaan op strenge regelgeving, bijvoorbeeld voor plaatsen waar honden hun behoeften mogen doen. In sommige gemeenten mogen honden op ideale uitlaatplaatsen als parken alleen op een beperkt aantal plekken worden uitgelaten, zelfs aan de lijn! Ook kan het verplicht zijn om iets op zak te hebben voor het opruimen van eventuele ongelukjes. Hiervoor zijn bij dierenspeciaalzaken poepschepjes en andere handigheden verkrijgbaar. Nog gemakkelijker is het gewoon altijd een boterhamzakje op zak te hebben. Hand erin, uitwerpselen oppakken, zakje eromheen vouwen, dichtbinden en in de dichtstbijzijnde prullenbak gooien. Geen onhandig grote opruimspullen in uw zakken en geen vieze handen.
Om te voorkomen dat de ergernissen over onze trouwe viervoeters echt de pan uitrijzen en nog meer maatregelen uitlokken, moeten wij ons als hondenbezitter goed aan de regels houden (vraag eventueel na wat deze regels zijn) en daarnaast ook een aantal gewone fatsoensnormen in acht nemen. Dus niet de hond op de stoep, in winkelcentra e.d. laten poepen, en mocht het een keer mis gaan, dan onmiddellijk de rommel opruimen.
Om de hond een commando bij te brengen, hoeft u niet altijd een toevallige situatie af te wachten. U kunt ook van een dagelijks terugkerende situatie gebruik maken of de pup verleiden te doen wat u wilt. Als u bijvoorbeeld zijn eten klaarmaakt, zal de pup vanzelf al naar de keuken komen. Zodra u ziet dat hij op weg is naar u, geeft u het commando “kom” of “hier” (hoge stem, komen is leuk!). Zodra hij bij u is, beloont u hem weer uitbundig en geeft u hem zijn eten. Ook als u een speeltje pakt, of zijn riem, of iets doet dat de pup heel interessant vindt, zal hij toch al graag naar u toe komen. Maak hiervan gebruik. Als de pup op het laatst toch besluit dat iets anders interessanter is, loopt u achteruit, terwijl u hem met een hondenbrokje of speeltje uitnodigt u te volgen. Op dezelfde manier kunt u hem ook zitten en liggen bijbrengen (let er bij het leren zitten wel op, dat als u hem wil dwingen, u niet bovenop zijn heupen moet duwen, maar in zijn knieholten).
Even terzijde: wanneer u uw hond iets wilt aanleren, bereikt u het beste resultaat als u korte oefenperiodes aanhoudt van maximaal 5 minuten. Voor een jonge pup kunt u zelfs beter maximaal 3 minuten aanhouden.

De hond ook buiten naar u laten luisteren is vaak iets moeilijker, omdat er allerlei afleiding is. Oefen in het begin dan ook als er geen honden, kinderen of andere mensen in de buurt zijn. Als u de hond tijdens het uitlaten een tijdje los laat lopen (alleen waar dat veilig kan), moet u hem niet alleen bij u laten komen om hem aan de lijn te zetten. Heel snel heeft het hondje door: komen is lijn, einde vrijheid, geen barst aan! Roep hem tussendoor geregeld bij u, liefst weer als er geen afleiding is en hij toch al onderweg naar u is. Beloon hem uitgebreid: BRAAF!, brokje geven, of even spelen. Komen is altijd braaf, al heeft hij u een half uur laten wachten en hebt u inmiddels het kookpunt bereikt. Als u hem straft op het moment dat hij terugkomt, zult u steeds langer op hem moeten wachten. Komen betekent immers straf! Mocht het echter zo zijn dat U de hond te pakken krijgt, en dan niet op het moment dat hij net naar u toe wilde komen, dan is een flinke correctie (zie verder) geen enkel bezwaar. Integendeel zelfs. Uw commando is een bevel. Het is geen verzoek en mag al helemaal niet op bedelende toon worden gegeven. U bent tenslotte de baas. Verder moet uw commando goed verstaanbaar zijn, dus niet schreeuwen of snauwen. Een gezonde hond heeft heel gevoelige oren en hoort ook een rustig uitgesproken bevel uitstekend. Kies verder als commando altijd een kort, duidelijk verstaanbaar woord dat qua klank niet lijkt op een ander commando dat u al gebruikt.

Bijvoorbeeld: zit; af, down; niet lig of liggen, dit lijkt te veel op zit; mand, hoek.

Het juiste moment van belonen is het moment waarop de pup iets goed doet. Als u te vroeg bent, hebt u kans dat hij staakt met wat hij wilde gaan doen (u leidt hem bijvoorbeeld af), maar als u te laat bent, beloont u hem niet voor wat hij goed deed, maar zelfs voor het beindigen van wat hij goed deed. Ter illustratie: uw hondje zit. Daarvoor wilt u hem prijzen, want zojuist hebt u hem het commando gegeven. Juist op het moment dat hij weer overeind komt, prijst u hem. U bent te laat! Als u dit iedere keer zou doen, leert hij dat “zit” overeind komen is! Sommige honden zijn erg snel met dit overeind komen. U bent nog niet aan de “zo” van “goed zo” of hij is alweer overeind geveerd. Zorg er dan voor dat uw beloning heel kort is, bijvoorbeeld een kort, hoog BRAAF! Ook als u iets lekkers geeft, zorgt u ervoor dat u de hond niet voor een verkeerde houding of het zelf beindigen van de oefening beloont. U kunt uw hond ook leren met behulp van de clicker.


Het opvoeden van een pup

Tot de leeftijd van ongeveer acht weken krijgt de pup veel vrijheid van de roedelgenoten. Er is nog maar een zeer beperkt aantal regels. Toch heeft een pup al, tijdens het spenen tussen de vijfde en zevende week, van zijn moeder de betekenis van “nee”geleerd. Zij roept hem tot de orde met een grauw-blaf en wie niet horen wil moet voelen; zo nodig wordt er gebeten en niet te zachtzinnig! Het piepen van de pup is overigens niet van pijn, maar wil zeggen “ik heb de boodschap begrepen”.

Bij acht weken (socialisering) begint de wolvenvader een strengere discipline toe te passen. Hij speelt veel met ze voor een goede sociale ontwikkeling. ZO worden er onder andere jachtspelletjes gedaan. Toch stelt de vader ook duidelijke verboden in. Hij let er zeer consequent op dat die worden nageleefd. Bij overtreding wordt de welp kort maar krachtig in het nek- of rugvel gepakt en de reu laat pas los als de welp zich overgeeft door zich op de rug te werpen onder een flink gepiep. Dit gaat allemaal heel snel. Dit gedrag wordt door de overtreder goed begrepen. Toch zal de welp nog vaker uitproberen waar de grenzen liggen. Als vader hierin duidelijk consequent blijft zal de bestrafte deemoedig naar de reu lopen en hem door te likken, mondstoten en pootjes geven zijn eerbied bewijzen.
De welp weet waar hij aan toe is; op deze leider kan hij onvoorwaardelijk vertrouwen. Hij voelt zich in de buurt van de leider ook veilig. Zorg ervoor dat uw hond ook kan steunen op een dergelijke vastberaden “vader”.

Het karakter van een hond

Vorming van het karakter

Erfelijke aanleg; hiermee wordt bedoeld de overerving van de ouderdieren. Het karakter van de ouderdieren bepaalt dus mede een stuk van het karakter van een hond.
Ervaringen in de gevoelige perioden; hier gaan we zo verder op daar dit zeer belangrijk is terwijl weinig hondenbezitters hiervan op de hoogte zijn.
Milieu; met milieu wordt de omgeving bedoeld die eigenlijk continue van invloed is op een hond, de hoeveelheid aangeboden prikkels en leersituaties.
Inzicht, geduld, stabiliteit van de eigenaar; Het inzicht van de eigenaar; weet hij/zij hoe je met honden moet omgaan. Het geduld; verwacht niet direct dat een hond alles na n keer begrijpt, maar heb geduld tijdens het leren.

De stabiliteit; is men zeker van zichzelf en vooral hond tegen de hond, niet direct over zijn toeren maar rustig en consequent.

Aan de laatste drie punten (gevoelige perioden, milieu en eigenaar) zal vooral tijdens een puppycursus veel aandacht worden besteed, omdat deze nog te benvloeden zijn.

Gevoelige perioden in een hondenleven

Fase van de pasgeborene;

In deze periode wordt 90% van de tijd besteed aan slapen en de rest van de tijd wordt besteed aan eten. De pasgeborene heeft een primitieve smaakzin, maar vertrouwt op zijn zintuig om te voelen en is gevoelig voor koude. Op de dertiende dag gaan de oogjes open, maar het echte zien ontstaat pas rond de achttiende dag.

De inprentingperiode: ongeveer 3-8 weken

Deze fase is een blauwdruk voor het leven. Als de jonge hond voor het eerst het nest verlaat doet hij een aantal indrukken op. Deze indrukken zijn bepalend voor de rest van zijn leven. Zo leert hij wat soortgenoten zijn en wat geen soortgenoten zijn. Als de hond tijdens deze periode geen andere honden ziet, dan zal hij op latere leeftijd andere honden ook niet als soortgenoten herkennen en met gestoord gedrag reageren (bijv. agressief, enorm angstig).

Ditzelfde geldt ook voor mensen, andere dieren, kinderen, het verkeer etc. Wanneer hiermee geen kennis is gemaakt, kan er later zeer angstig op gereageerd worden. De directe verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de fokker. Men hoeft niet de hele dag met een jonge hond door de stad te lopen. Korte indrukken zijn al voldoende. Als er tijdens de inprenting iets is fout gegaan kan dit op latere leeftijd NIET meer hersteld worden. Deze periode is niet in te halen!

De socialisatieperiode 8-12 weken.

In deze fase leert de hond communiceren met de wereld. Tijdens het spel met andere honden leert hij zijn taal kennen. Wanneer het spel hem te grof wordt, zal hij zich op de rug gooien, waarbij hij zijn kwetsbare delen, zoals buikje en keel, blootgeeft. Bij een ander hond zal dan de bijtrem, oftewel het ridderlijkheidsinstinct optreden. Dit betekent dat deze hond niet door zal bijten. Ook diverse signalen en ruimtelijke gegevens van de wereld om hem heen leert hij nu kennen. Wat is een trap, een kuil, een plas water enz.

Voor de begeleider van de hond is het belangrijk om de hond te beschermen voor al te negatieve ervaringen omdat het anders een angstige, schuwe hond kan worden. Negatieve ervaringen zijn niet erg, mits ze maar niet traumatisch worden. Juist het aaien en troostend toespreken, het geruststellen bevestigen de angst. Dit moet u dus NIET doen.

Voorbeeld;

U loopt met uw pupje over straat, er komt al knetterend een brommer voorbij en de pup schrikt hiervan. Hij piept en maakt zich klein van schrik. Wanneer u de hond optilt, hem vol liefde en troostend toespreekt bevestigt u als roedelleider de schrik; brommers zijn doodeng! Door uw optillen en aaien beloont u de hond voor het bang zijn. U beloont dus het verkeerde gedrag. De volgende keer zal uw hond juist nog angstiger reageren. Wat moet u wel doen? U reageert niet op zijn gepiep en loopt kordaat door alsof er niets aan de hand is, maak eventueel even een stoeipartijtje met hem om hem af te leiden.

Zo zijn er dagelijks volop situaties als deze. Het is goed om de hond veel ervaringen te laten opdoen. Zo kunt u de pup meenemen naar de markt, het winkelcentrum, mee in de auto enz. U maakt de hond bekend met al deze situaties. Om dezelfde redenen als bij de inprenting omschreven is het ook belangrijk dat u in deze periode de pup al laat spelen met andere honden. Deze leren hem de onderlinge sociale omgang en de hond zal dan ook later open en sociaal reageren op andere honden. De angst voor ziektes is begrijpelijk en niet geheel onterecht; echter zolang met tot de laatste inenting (met ong. 12 weken) uitlaatplaatsen (welke een bron van besmetting kunnen zijn) ontwijkt, is de kans op ziektes vrij klein. De kans daarentegen op een slecht gesocialiseerde hond indien u de pup van andere, gezonde, volledig ingeente honden weghoudt is vrij groot met nare gevolgen voor de rest van het hondenleven.

Alles wat uw hond leert tussen de 3e en de 12e week is bepalend voor zijn mogelijkheden in de toekomst.

De rangordeperiode 12-16 weken

In deze fase wordt via stoeispelletjes en uitdagend gedrag bepaald welke plaats binnen de roedel bereikt gaat worden. Een stoeispelletje is in feite altijd een machtsstrijd!! Houdt daar rekening mee en zorg dat het initiatief altijd bij u ligt;U bepaalt wanneer er wordt gespeeld, u wint altijd het LAATSTE spel en u breekt het spel af vr de pup het spel beu wordt en zelf stopt.

HET LEERPROCES

Algemeen

Het leerproces bij een hond kunnen we eigenlijk heel kort als volgt omschrijven; een hond herhaalt het gedrag dat een lustgevoel oproept (dat beloond wordt) en vermijdt het gedrag dat een onlustgevoel oproept (dat bestraft wordt).

Een hond kent de begrippen goed en slecht gedrag absoluut niet. Wel kent hij dingen die hij prettig vindt en andere dingen die hij onprettig vindt. De prettige dingen roepen bij de hond lustgevoelens op en daardoor wil hij ermee doorgaan of ze herhalen. De onaangename dingen wekken duidelijke onlustgevoelens op. Deze zullen vermeden worden. Voor goed gedrag belonen we onze hond, wat neerkomt op het stimuleren van zijn lustgevoelens. Wanneer de hond ongewenst gedrag vertoont corrigeren we hem daar niet voor; wij kunnen nooit corrigeren zoals een hond dat zou doen. Bovendien willen we vermijdingsgedrag bewerkstelligen bij onze pup: we willen dat hij zlf ontdekt wat wel en niet mag. Dus zal ongewenst gedrag in eerste instantie voorkmen moeten worden. Doet het zich toch voor, dan (daar waar mogelijk) negeren: negatieve aandacht is k aandacht en als wij gn aandacht aan gedrag schenken, levert het de hond niets op en zal hij het laten.

Stimuleren van lustgevoelens


Voor goed gedrag belonen we de hond. Het duidelijkst en eenvoudigst gebeurt dit door de hond te prijzen met de stem. Met een hogere tevreden stem zegt u “braaf” en “goed zo!” enz. tegen uw hond. Het gaat hier vooral om de klank en de toonhoogte. Brommend braaf zeggen heeft natuurlijk geen effect In het begin en als de hond bij u is laat u dit woord vergezeld gaan van een aai of knuffel, een vrolijk gezicht en vooral van iets lekkers. Het belonen van goed gedrag moet op het juiste moment plaatsvinden. Dat wil zeggen: tijdens of direct na het vertonen van het goede gedrag. Als u te lang wacht zal de hond geen verband meer leggen tussen het vertoonde gedrag en uw beloning. Een hond heeft namelijk geen tijdsbesef. Hoe men optimaal gebruik kan maken van belonen zonder dat de hond alleen maar presteert als u iets lekkers heeft is met een clicker.

Gebruiken van onlustgevoelens


Het straffen van een hond is in feite het opwekken van onlustgevoelens. Als we al straffen geldt: straffen tijdens dan wel direct na het vertonen van fout gedrag. Een hond heeft geen tijdsbesef en kan een foutieve daad niet in zijn geheugen oproepen. Voor een hond telt alleen het huidige moment, het nu. Wanneer u denkt dat uw hond het best wel begrijpt omdat hij zijn oren helemaal plat legt als u hem na vijf minuten nog straft, heeft u het mis. De hond legt zijn oren plat omdat hij wel begrijpt dat u boos op hem bent, maar hij begrijpt niet waarom! Maar het feit dat u boos bent maakt hem onderdanig (u bent nl. de roedelleider). De hond kan niet het juiste verband leggen tussen zijn gedrag van vijf minuten geleden en uw gedrag n die vijf minuten. Door de hond n zijn foutieve daad te straffen zult u alleen de relatie verslechteren.

Onlustgevoelens: indirecte associatie

Indien uw pupje stout is dan kunt u de hond kort in zijn nekvel pakken zoals een volwassen roedelgenoot dat zou doen. NOOIT schudden (dit is een prooi doden) en ook niet op de rug leggen: deemoed komt alleen vanuit de hond zelf en kan niet worden afgedwongen. Voor dit “in de nek bijten” is de pup echter slechts korte tijd gevoelig (onze “tanden” zijn niet scherp genoeg) en dus al snel doelloos.

Een op heterdaad betrapte hond kunnen we bestraffen door op een duidelijke toon, een scherp uitgesproken “Nee!” of “Foei” tegen hem te zeggen (dus niet met een lief stemmetje). De hond ervaart dan een onlustgevoel. Zo’n woord dient natuurlijk rst te worden aangeleerd! Dit doet men door een bakje met lekkertjes neer te zetten en de hond steeds iets op uw gestrekte hand te geven, eventueel begeleidt met “pak maar” of “toe maar”. Na een paar keer geven zegt u “NEE” en u sluit uw hand. De pup zal alles proberen om het brokje toch uit uw hand te krijgen maar u negeert al zijn pogingen totdat hij het opgeeft. U wacht nog heel even en geeft het dan weer met “pak maar”. Na enkele keren herhaalt u het bovenstaande. Als u dit een paar keer hebt gedaan gaan we eens kijken of de pup het begrijpt: we strekken weer onze hand met het brokje en zeggen “NEE”, echter nu zonder uw hand te sluiten. Als hij het toch wil pakken (u sluit direct uw hand!!!!) begrijpt hij het nog niet. Als hij zijn neiging om het te pakken bedwingt en terugtrekt (dus het lekkers laat liggen) dan is het kwartje duidelijk gevallen. Het “NEE” betekent dat dit gedrag hem niets oplevert en dat hij beter iets anders kan gaan doen (wat hem wl wat oplevert). In het vervolg zal dan “NEE” alleen voldoende zijn, zonder dat men nog een brokje moet “weghalen”.

Zo’n onlustgevoel wordt echter door u gecreerd en niet door het gedrag op zich. Hij associeert het onlustgevoel indirect met het gedrag, het is dus niet zeker of de hond het gedrag zal vermijden wanneer u niet in de buurt bent. Het “NEE” gebruikt u dus voor ongewenst gedrag dat zich gt voordoen (dat u dus ziet aankomen) of dat zich voordoet waar u bij bent.


Onlustgevoelens: directe associatie

Vaak werken directe associaties veel beter en duurzamer voor gedrag waarvan uw wilt dat het zich (ook) niet voordoet wanneer u uit het zicht van de hond bent, zie onderstaande voorbeelden.
Bij directe associatie wordt het gedrag op zich als onprettig ervaren en niet indirect middels uw bestraffing.

Voorbeeld; een hond die aan zijn mand knaagt kunt u boos bestraffen met uw stem. Wanneer u nu merkt dat hij doorgaat wanneer u er niet bent kunt u de knaagplekken insmeren met sambal of anti-bijtspray. Gegarandeerd dat de hond nu niet meer aan de mand knaagt. Knagen aan de mand is afschuwelijk!! Bij een indirecte associatie blijft de mand lekker maar uw bestraffing niet fijn. Bij een directe associatie is de mand op zich niet lekker.

Nog een voorbeeld: een hond die telkens door de heg kruipt U kunt hem met uw stem bestraffen (indirecte associatie) maar u kunt ook afspreken dat iemand achter de heg gaat staan en dat zodra de hond er door kruipt deze hem flink laat schrikken (directe associatie) door hem flink nat te spuiten met de tuinslang. Door de heg kruipen is doodeng!!

Iets wat vaak goed werkt is een werpkettinkje. Stel de hond knaagt aan het vloerkleed. Wanneer u dat werpkettinkje naar de hond toe gooit op het moment dat u ziet dat hij weer naar het kleed gaat (dus NIET wachten tot hij z’n tanden al in uw kleed zet, dat is te laat) zal hij schrikken en u aankijken. U negeert echter ieder contact en kijkt de andere kant op, zodat hij het kettinkje niet met u in verband brengt! De hond denkt nu “als ik aan dat kleed knaag vallen er enge dingen uit de lucht”. In het vervolg volstaat het om even met het kettinkje te rammelen, het geluid alleen al is dan genoeg om het foutieve gedrag te staken.

Het vraagt soms wat vindingrijkheid, het leer proces verloopt echter wel sneller en het resultaat is effectief.


BASIS LEGGEN VOOR EEN JUISTE RANGORDEBEPALING


D
it bereiken we door rangbevestigende spelletjes met de pup te doen:

Stoeien waarbij je de pup af en toe in de flanken links en rechts “bijt”. Zo ben je de superieure roedelleider “op uw achterpoten met 3 koppen”. Het bijten in lichaamsdelen en kledingstukken mag NIET worden getolereerd. Als dit gebeurt, roept met hard “AU!!”, staat op en loopt weg: het spel wordt gestaakt. De pup zal al snel in de gaten krijgen dat niet bijten er voor zorgt dat het spelen drgaat. Trekspelletjes met stokken, lapjes, balletjes. E.d.. Het winnen van een lapje mag, maar slechts af en toe. Het laatste spelletje wint de roedelleider.
Dominant typetje: zodra het spel dreigt om te slaan in een serieuze poging tot winnen, zal de pup duidelijk op zijnplaats gezet moeten worden. "Bijt" hem flink in zijn nek (mits hij hiervoor nog gevoelig is) en breek het spel af.
Deemoedige houding naar u toe even belonen, daarna hondje negeren (= passieve dominantie).
Let op; de  moederhond/volwassen hond corrigeert nooit zachtzinnig: gekerm van een pup is niet een teken van pijn van een te harde correctie, maar een teken dat hij het begrepen heeft. Angstige, onzekere, schuwere honden vinden stoeispelletjes vaak wat eng. Niet zo raar, want stoeien is rangbepaling, en zij zijn niet uit op een hogere positie. Voorzichtig spelen, zeker nooit "bijten" als dat al nodig mocht zijn.Zij mogen zelfs iets vaker af en toe een spelletje “winnen”. Dat geeft ze meer zelfvertrouwen. Maar let op dat zelfvertrouwen niet ontaart in te hard bijten in handen e.d.. In dat geval dient het spel onmiddellijk te worden afgebroken (zie boven). Deemoedig gedrag even belonen, daarna hondje negeren.
De puppycursus... en verder! Hopelijk denkt u niet, na het lezen van dit stukje, dat u nu alles weet en de puppycursus wel kunt overslaan. Van de puppycursus kunnen u en uw hond namelijk alleen maar baat hebben:

Socialisatie: uw hond krijgt de kans om met een heleboel honden van allerlei soorten kennis
te maken, zodat hij later als een normale hond op andere honden zal reageren.
Uw hondje leert allerlei oefeningen die ook in het dagelijks leven handig zijn.
Hij leert u gehoorzamen, ondanks al die verleidelijk leuke collegaatjes om hem heen.
U krijgt veel informatie en tips van ervaren instructeurs.
U kunt problemen aankaarten en persoonlijk advies vragen over specifieke opvoedingsproblemen.
U en uw hond zijn op een leuke manier samen bezig en beleven gewoon veel lol!
Dit alles bevordert het contact tussen u en uw hond.

Een hond die goed is opgevoed, ten allen tijde netjes luistert, geen overlast vormt voor zijn omgeving kan men overal mee naar toe nemen en heeft dus zijn bestaansrecht verworven!!Een hond voor je plezier, precies zoals hij voor ogen had toen hij een hond aanschafte !

Alle dagelijkse handelingen / Dierenartshandelingen

Een hond zal moeten leren accepteren dat we hem verzorgen. Het probleem daarbij is dat de pups een verzorgden aanraking van de moeder al vanaf drie weken steeds minder ontvangen. Immers, zodra een pup zelf gaat eten, houdt een grot deel van daadwerkelijk verzorgende aanrakingen op te bestaan. Het actieve lichamelijke contact vanuit de ouder wordt een stuk minder.

Het is belangrijk de pup van jongs af aan vertrouwd te maken met het op tafel staan (Let op: denk aan een anti-slip matje zodat de hond niet wegglijdt op de tafel) en alle aanrakingen die voor zijn verzorging nodig zijn. Dit kunt u doen door er een dagelijks ritueel van te maken. Onder verzorging verstaan we borstelen/kammen, in de oren kijken, onder de staart kijken, tussen de voetzooltjes kijken, in de bek kijken, optillen en op het zij leggen. Het borstelen dient uiteraard voor de verzorging van de vacht, maar geeft ook de mogelijkheid om de hond in de toekomst zonder problemen t onderzoeken op vlooien en teken. Eventuele vachtproblemen of verwondingen kunt u tijdig ontdekken en zonder moeilijke toestanden verzorgen. Bovendien voorkomt u vanaf het begin dat de vacht gaat klitten. Klitten uit een vacht verwijderen is een langdurig en pijnlijk gebeuren. Als dat de eerste kennismaking zou zijn met borstel en kam, weet uw pup zeker; kammen en borstelen is afschuwelijk. De kans op verzet is dan ook bijzonder groot. Dus; gelijk beginnen met heel even kammen/borstelen, ook al heeft de vacht dat nog lang niet nodig; zo raakt de pup er van jongs af aan al aan gewend.

In de oren kijken is nodig voor controle op vuile oren. Vuile oren wordt vaak veroorzaakt door oormijt, een jeukende en stinkende aandoening die gemakkelijk kan leiden tot een oorontsteking. Omdat een vuil oor behandeld moet worden met oorzalf, is het van belang de hond onder normale, niet pijnlijke omstandigheden aan de controle en aanraking van de gehoorgang te wennen. In de gehoorgang zit een kromming, waardoor u niet bang hoeft te zijn het trommelvlies te beschadigen zoals dat bij ons kan gebeuren. Wel is het mogelijk dat u, door te snel met schoonmaken te beginnen, oorsmeer naar binnen drukt, waardoor een oorontsteking kan ontstaan. Daarom moeten de oren na het inbrengen van het schoonmaakmiddel of oorzalf altijd eerst gemasseerd worden. Vaak schudt de hond daarna met de kop, zodat het vuil vanzelf de weg naar buiten vindt. Zijn ze wat vuil, dan kunnen ze schoongemaakt worden met een om de vinger gewonden watje met een paar druppels olijfolie erop. LET OP! Geen wattentips gebruiken! De watjes laten vaak los en u duwt het vuil verder het oor in. Wanneer het oor ontstoken lijkt of u constateert een bruin korrelige smeer in de gehoorgang en het oor ruikt vies (oormijt, zeer besmettelijk) dan uiteraard naar de dierenarts!
Onder de staart kijken is een handeling die voor een hond erg ingrijpend is. Het is namelijk een opdringerig contact. Toch zult u de hond dit onderzoek soms wel moeten aandoen, bij het temperaturen bijvoorbeeld als hij ziek is. Of bij het uitknijpen van de anaalklieren door de dierenarts of trimster. Dus; maak hem hiermee van jongs af aan vertrouwd door van deze handeling een dagelijks gebeuren te maken.

Kijken tussen de eeltkussentjes van zijn voetzooltjes. Omdat teeneczeem en een verwonding door bijvoorbeeld glas niet zo uitzonderlijk zijn, is het van belang dat uw hond vertrouwd is met deze aanraking. Veel volwassen honden hebben een hekel aan het uit elkaar buigen van de voetzooltjes. Gemakkelijker is dus hem er al jong mee vertrouwd te maken. Bovendien wilt u bij slecht weer zijn poten met een handdoek schoonmaken. Het is een stuk prettiger dat hij daar dan aan gewend is, dan dat u iedere keer strijd moet leveren. Let op dat u de poten niet zijwaarts trekt! De anatomie van een hond laat dit niet toe, u doet hem hiermee pijn. Til de poten gewoon naar achteren op, waarbij ze in de knie knikken.

Optillen. Dit is een behoorlijk overheersende handeling omdat de hond op dat moment niets meer over zichzelf te vertellen heeft. Bij de dierenarts en trimster wordt een hond op tafel gezet. Maak hem dus vertrouwd met deze handeling. Til hem vooral kalm en rustig op en zet hem pas neer wanneer hij zonder te spartelen in uw armen ligt. Beloon hem wanneer u hem op tafel zet. Zorg dat hij rustig blijft staan, zonder de neiging te hebben te vluchten. Grote honden tilt u het gemakkelijkst met een arm voor de borst en de andere arm onder de buik. Een kleiner formaat is gemakkelijk op te tillen met een arm voor of onder de borst en de andere arm in de knieholte van de achterpoten. Een hond bezit geen sleutelbeenderen en zijn voorpoten zijn uitsluitend met pezen en spieren aan de schoudergordel verbonden. Het is dan ook fout een pup of volwassen hond aan de voorpoten of onder de oksels op te tillen.

Op het zij leggen; ook deze handeling vraagt overgave van de hond. Doe de oefening vooral rustig en kalm. Zorg ervoor dat u de hond niet op zijn rug draait. Een hond ligt niet graag op de rug. Het is voldoende hem op de zij te leggen.

Wat er nog meer bij hoort

Ogen: Wanneer de ogen wat vuil zijn (viezigheid in de ooghoeken), is het in de meeste gevallen voldoende om het vuil te verwijderen met een vochtige tissue of een vochtig watje.
Is de uitvloeiing wat gelig of groenig van kleur, dan duidt dit meestal op een ontsteking en moet u met de hond naar de dierenarts. De ogen kunnen we schoonmaken met wat gekookt lauw water of lauwe thee. Geen boorwater gebruiken, er zijn honden die daar niet tegen kunnen.

Gebit: Het eerste gebit van de hond, het melkgebit, komt rond de derde levensweek door. Op een leeftijd van ca. 4 maanden begint het definitieve gebit door te komen. Als de tanden door het tandvlees komen, gaan de melktanden loszitten en vallen er vanzelf uit. Soms blijft er een tand (heel vaak de hoektand, vooral bij kleine rassen) zitten en moet de dierenarts de tand verwijderen. Geef de pup een bot om het wisselen te bevorderen. Het definitieve gebit moet op een leeftijd van 7-8 maanden compleet zijn.
Vooral op latere leeftijd, maar ook wel eens eerder, komt het voor dat de hond uit zijn bek gaat stinken. Dit is vaak het gevolg van tandsteen, een bruingele aanslag op de tanden. (Kalfs)botten of kluifjes van buffelhuid en harde korsten bruinbrood kunnen tandsteen gedeeltelijk voorkomen, evenals regelmatig poetsen met een heel zachte tandenborstel of een gaasje. De dierenarts kan deze aanslag eenvoudig verwijderen. Soms moet de hond daarvoor echter onder narcose. Ook hier is voorkomen dan ook beter dan genezen.

Nagels:
Bij honden die niet regelmatig op stenen lopen, zullen de nagels onvoldoende afslijten. We zullen de nagels van de hond regelmatig moeten knippen of vijlen.
LET OP! Dit knippen moet heel voorzichtig gebeuren. Men knipt namelijk heel makkelijk in het leven. Dat is een erg bloederige en voor de hond zeer pijnlijke gewaarwording.
Verder moet u bij vorst en sneeuw goed op de voeten van uw hond letten. Door strooizout kan de huid tussen zijn kussentjes gerriteerd raken. Bij sneeuw kunnen bovendien gemakkelijk ijsklompjes onder de voeten ontstaan, die de hond het lopen bemoeilijken. Beide problemen zijn voor een groot deel te voorkomen door tussen de kussentjes wat vaseline te smeren.

Wassen: De hond dient zo min mogelijk gewassen te worden, een of tweemaal per jaar is zeker genoeg. Hiervoor een speciale hondenshampoo gebruiken (verkrijgbaar in de dierenspeciaalzaak). Pas na het wassen op voor kouvatten!

Anaalklieren: De anaalklieren liggen aan weerszijden van de anus. Bij de ontlasting van de hond worden deze klieren leeggeperst. Dit scherp ruikende vocht is een herkenningsmiddel voor andere honden. Deze klieren kunnen bij niet spontaan legen overvol raken, waardoor ontstekingen kunnen ontstaan. Verschijnselen: de hond is onrustig, heeft last van jeuk en irritatie rondom het gebied van de anus. Hij begint met zijn achterwerk over de grond te schuren (“sleetje rijden”) en bijt zich in veel gevallen kapot, vooral op de rug bij de staartaanzet. De dierenarts knijpt de anaalklieren uit waardoor het euvel (tijdelijk) verholpen is. Soms is een operatie waarbij de anaalklieren verwijderd worden de enige oplossing.

Commando “los”

Het commando los is van groot belang om te voorkomen dat onze hond dingen verdedigt die verboden of slecht voor hem zijn.

We weten hoe onnatuurlijk het voor een hond is om een prooi af te staan. Om die reden oefenen we dit nu net niet met de voederbak, kluif of favoriet speeltje. Neem een neutraal voorwerp, bijvoorbeeld een nieuw balletje, stuk touw o.i.d.. De pup moet het wel willen vatpakken. Houdt de pup aan de lijn, zodat hij er niet vandoor kan gaan met het oefenmateriaal. Zeg “los” wanner de pup het speeltje laat vallen opdat u het opnieuw weg kan gooien. Of haal het onder commando “los” zachtjes uit de mond. Onmiddellijk daarna belonen en weer gewoon spelen. De pup moet niet het gevoel krijgen dat “los” meteen het einde van de lol is. Nog beter werkt: het voorwerp ruilen voor een ander, ng leuker speeltje, of desnoods iets lekkers. Op deze wijze leert de pup dat “los” niet betekent dat hij iets kwijtraakt, maar dat dat woordje hem iets oplevert. Wisselend spelen en de oefening “los” herhalen. Pas wanner de pup het “los” van het ene voorwerp beheerst, gaat u over op het oefenen van een ander voorwerp.

Om “baknijd” te voorkomen: haal niet steeds de voerbak weg; dit geeft steeds de negatieve betekenis “Er wordt mij iets afgenomen”. Zet in plaats daarvan de etensbak neer en doe er met de hand enkele brokjes voer in en geef de hond aan dat hij nu mag gaan eten. (Een goede ondersteuning hierbij is de hond laten zitten en pas op commando laten eten. “pak maar”/”toe maar”etc. De hond eet snel de paar brokjes op en kijkt u verbaasd aan: “waar blijft de rest?” En weer doet u er een paar brokjes in enz. enz. De hond leer top deze wijde de positieve betekenis dat een hand in of bij de voerbak hem alleen maar meer oplevert.


Samenwerking baas – hond


Een goed basis voor samenwerking wordt bewerkstelligd door de “will to please” te stimuleren. Hierbij speelt apporteren een grote rol. Wanneer een pup niet uit zichzelf de neiging heeft achter een weggegooid voorwerp aan te gaan, laat staan dat hij het oppakt en weer terugbrengt, is het belangrijk hem dit te leren. Probeer uit te vinden wat wel zijn belangstelling heeft. Veel honden spelen bijvoorbeeld wel met een bal, maar wanneer je een stok weggooit kijken ze je aan of je gek bent geworden. Stimuleer iedere vorm van interesse in het voorwerp met enthousiaste aanmoedigingen. Hij moet begrijpen wat de bedoeling is. En moedig hem aan bij iedere stap in uw richting met het voorwerp. En beloon hem met veel knuffels en braaf en af en toe wat lekkers als hij het terug brengt.



Gebruik maken van de meest gevoelige leerperiode

De meest gevoelige periode tot leren hoe de wereld in elkaar zit is in de socialisatieperiode, dus 8 t/m 12 weken.

Dat betekent dat dit de meest ideale tijd is om een puppytraining te volgen. Vergelijk dit maar met onze kleuter- en lagere schooljaren. Juist in deze tijd moeten we naar school. Niet om moeders te ontlasten, maar omdat de hersenen van het jonge kind juist in die periode van het leven optimaal zijn ingesteld op leren. We zitten met het probleem parvo-besmetting. De pups zijn nog niet optimaal bescherm tegen het virus. Eis is dat de pups 3 maal worden gevaccineerd voordat ze 4 maanden zijn. Dat geeft een heel goede bescherming.

Doe alle oefeningen spelenderwijs. De pup kan nog niets fout doen, omdat hij nog niet weet wat er van hem verlangd wordt. Bij alles wat u de pup leert geldt: hij moet het leuk vinden. Dat betekent dat de pup geen dwang word opgelegd en dat hij niet overbelast wordt door taken die hij nog niet kent. Eigenlijk komt het hele principe op het volgende neer; men lokt rst het gewenste gedrag uit en beloont dit uitbundig, pas later, als de hond het gedrag op zo’n moment uit zichzelf gaat aanbieden leert men hem de bijbehorende commando’s door deze te gebruiken op het moment dat hij een bepaald gedrag al vertoont (liefst vlak voor dat moment) en beloont het gedrag met de clicker en wat lekkers en natuurlijk een vrolijk gezicht en eventueel nog een knuffel erbij.

Deze training wordt met een mooi woord “conditionering door middel van positieve stimulans” genoemd. Het werkt als volgt: uw pup mag geen fouten kunnen maken. Dat betekent dat u de commando’s alleen gaat verbinden aan gedrag dat hij op dat moment al uit zichzelf vertoont. Dat vraagt wel de nodige oplettendheid van u. Maar wanneer u zo nauwlettend te werk gaat, hebben u en de pup daar later alleen maar veel voordeel van. Dus: uw pup gaat zitten. Zomaar. Vlak voordat hij gaat zitten zegt u snel “zit”. En beloont hem uitbundig als hij zit. Al gauw zal hij het woordje “zit” in verband brengen met zijn zitten. En omdat u het gedrag ook nog beloont zal hij dat gedrag gaan herhalen.
Voorkom het ontwikkelen van verkeerde gewoonten! Zorg bijvoorbeeld dat de pup nooit eigengereid van zijn eigenaar kan weglopen. Houdt hem aangelijnd aan een lichte lijn, die hem niet hindert in zijn bewegingen, maar wel zorgt dat de eigenaar grip op het hondje houdt.

Vervolgcursus ja of nee?

De puppytraining vindt plaats tussen de 8 en 12 weken. Wanneer deze periode voorbij is, begint de rangordeperiode.

Omdat de pup nu kan weten wat er van hem verlangd wordt en omdat nu de mogelijkheid van echte opstand begint te komen, is nu het moment aangekomen de regels vast te gaan leggen. De pup is nu klaar om door te stromen naar de vervolgcursus. Wanneer de eigenaar de pup thuis goed heeft begeleidt, zal de pup onder bepaalde omstandigheden al heel goed kunnen luisteren. Je kunt je dus afvragen of er nog animo bestaat om verder te gaan.

Argumenten om dit wel te doen:

- de eigenaar heeft tot nu toe alleen nog maar de meest elementaire begrippen geleerd. Maar dit zal, als het goed is, wel zijn enthousiasme aangewakkerd hebben.

- De rangordeperiode begint. Alle reden om nu goed begeleid te worden om niet eventuele problemen te laat te signaleren en ervoor te zorgen dat de hond in deze moeilijke periode duidelijk weet wat wel en niet mag (lees; wat hem respectievelijk veel en helemaal niets oplevert).

- De eigenaar volledige kennis moet hebben van hoe leerprocessen werken bij honden en hoe men daarvan optimaal gebruik kan maken.

- De eigenaar leert de taal van zijn hond”verstaan” en “spreken” en leert het waarom van zowel het gedrag als van hoe we daarmee omgaan. Verder leert men ook het gedrag van andere honden interpreteren, zodat men weet wat men kan verwachten. Het is fijn als men van te voren goed kan inschatten hoe een ontmoeting zal verlopen.

- De eigenaar kan er zeker van zijn dat zijn hond na de basiscursus opgroeit tot een hond zonder problemen omdat de basis van de relatie zo optimaal is.

Na de puppycursus is het, ook als u een gewone gezellige huishond wilt, altijd aan te raden nog even door te zetten met gehoorzaamheid. Al was het maar omdat de hond tussen 0,5 en 1 jaar en soms nog tussen 1,5 en 2 jaar periodes doormaakt, waarin hij uw gezag grondig uitprobeert.

 Gezondheid


De dierenarts

Inentingen: Zelfs de meest gezonde hond moet af en toe naar de dierenarts. Al was het maar eenmaal per jaar voor zijn vaccinatie. Waarom is dit zo belangrijk?
Een bekend spreekwoord zegt: “voorkomen is beter dan genezen”. Voor een aantal ziekten geldt dat voorkomen de enige manier van “genezen” is. Als bepaalde ziekten een niet-gevaccineerde hond treffen, is zijn kans op gezond worden vaak gering. Soms overleeft hij dankzij de moderne medicijnen en technieken, maar heeft de ziekte bepaalde organen dermate aangetast, dat hij nooit volledig herstelt. Als een goed gevaccineerde hond met dezelfde ziekten in aanraking komt, zal zijn afweersysteem zodanig reageren dat hij niet of veel minder ziek wordt.
Juist voor de pup, waarvan het afweersysteem nog niet volledig op gang is gekomen, is het van levensbelang dat hij is ingent. Vaak is de fokker al met een puppy-enting begonnen. Voordat de pup echter volledig beschermd is, moeten een aantal vaccinaties nog (meerdere malen) herhaald worden. Wanneer de pup tegen welke ziekten moet worden ingent is, onder meer, afhankelijk van het merk van het vaccin en van wat u met uw pup wil doen. Wilt u met uw pup zo snel mogelijk op cursus of op vakantie, vertel het uw dierenarts! Laat uw pup, voordat hij zijn laatste inenting heeft gehad en daardoor volledig beschermd is, nog niet uit op een uitlaatveldje.
Welke ziekten hebben we het hier over? De jaarlijkse cocktail-enting beschermt tegen de volgende ziekten:

hondenziekte (ziekte van Carr);
parvo;
corona;
ziekte van Weil (leptospirose);
leverziekte (hepatitis);
kennelhoest (para-influenza).

Als u op vakantie gaat naar het buitenland, zal uw hond bovendien nog moeten worden ingent tegen hondsdolheid, oftewel rabis (minimaal 1 maand voor u vertrekt).
In het vaccinatieboekje dat u van de dierenarts krijgt, staan nog meer wetenswaardigheden over de hier genoemde ziekten, zoals de symptomen en de verspreidingswijze.
Het immuunsysteem van de hond profiteert overigens pas volledig van de vaccinatie, als zijn afweer op het moment van inenting niet al verzwakt is, bijvoorbeeld door een slechte conditie, een andere ziekteverwekker, bepaalde medicijnen of door ernstige stress. Let er dus op dat uw hond goed gezond is op het moment van vaccinatie. De dierenarts zal dit ook controleren. Bewaar uw inentingsbewijzen zorgvuldig, deze hebt u nodig wanneer uw hond in een pension moet of als hij meegaat naar het buitenland. Informeer ook altijd tijdig bij uw dierenarts wat u dan aan eventuele extra inentingen of bewijzen nodig hebt (zie ook Vakantie).

De zieke hond. Als uw hond minder eetlust heeft, meer drinkt of juist helemaal niet, lusteloos of hangerig is, kortom als hij zich anders dan normaal gedraagt, is het aan te bevelen om de temperatuur eens op te nemen. Gebruik hiervoor een (aparte) digitale thermometer. Deze is sneller, minder milieubelastend en vooral minder gevaarlijk voor uw hond dan de ouderwetse thermometer (geen kwik!).
De temperatuur opnemen bij uw hond hoeft zeker geen probleem te zijn. De temperatuur bij honden wordt rectaal opgenomen. Wrijf het puntje in met wat vaseline of levertraanzalf en breng hem voorzichtig 2 cm in. Het opnemen duurt ongeveer 2 minuten.
De temperatuur bij honden varieert, maar in het algemeen gaat men uit van ongeveer 38 C als normaalwaarde. Zodra uw hond een dag lang een halve graad of meer verhoging heeft, is dit als abnormaal te beschouwen. Constateert u een ondertemperatuur (dus onder de normaalwaarden) dan is dit eigenlijk nog verontrustender. Een bezoek aan de dierenarts moet u dan beslist niet uitstellen. Geef de zieke hond een warme, tochtvrije plaats!

Het innemen van medicijnen
Een pil of poeder kunt u trachten toe te dienen door deze goed in iets lekkers te verpakken, bijvoorbeeld in gehakt. Als deze poging mislukt, moet u iets anders proberen:

U neemt de kin van de hond in uw ene hand.

Met uw andere hand legt u duim en wijsvinger over de neus van de hond heen en drukt u aan weerszijden de bovenlippen van de hond tegen de onderkant van zijn bovenkiezen, vlak achter zijn hoektanden. Omdat dit een beetje pijnlijk is, zal de hond zijn bek opendoen.
U duwt zijn kop een beetje achterover.
U legt, met de hand die u onder de kin had, de pil ver achter op de tong van de hond (bijna in zijn keel).
Sluit nu de bek, hou het hoofd nog steeds achterover en strijk even omlaag over de keel. Hierdoor is de hond gedwongen te slikken.
Bij het ingeven van vloeibaar medicijn moet u weer het hoofd iets achterover houden, maar nu mag de bek gesloten zijn. Trek nu de lip een klein beetje uit bij de mondhoek en giet hierin met een lepel of een pipetje het medicijn. Dit loopt dan in zijn wangzak en de hond slikt vanzelf.

Uitwendige parasieten
Vlooien zijn wel de meest bekende parasiet van de hond. Zij veroorzaken jeuk en/of irritatie van de huid, wat zeker bij een hond met vlooienallergie kan resulteren in rauwe, exceemachtige plekken. Bovendien zijn vlooien tussengastheer voor de lintworm, zodat uw hond ook hiermee besmet kan raken. Vlooien moeten dus absoluut worden bestreden! Op de markt zijn hiervoor veel middelen te koop: poeders, shampoos, spuitmiddelen, druppels voor op de huid of door het eten. Informeer ernaar bij uw dierenarts en bij de dierenspeciaalzaak.

Teken komen vooral in de zomer voor. Teken nestelen zich bij voorkeur op dunbehaarde gedeelten, zoals op het hoofd en de poten. Ze bijten zich vast door hun kop in de huid te boren. Ze zuigen zich vol met bloed en kunnen wel 1 cm groot worden. Overigens kunt u zelf ook door een teek gebeten worden. Dergelijke beten zijn beslist niet ongevaarlijk, daar teken diverse ernstige ziekten kunnen overbrengen. In Nederland is dat vooral de ziekte van Lyme. Indien deze ziekte in het begin niet goed wordt behandeld, is zij moeilijk te genezen en veroorzaakt o.a. (zeer pijnlijke) aandoeningen aan gewrichten, hart en zenuwstelsel.
Als u of uw hond gebeten is, noteert u de datum van de beet. Als u binnen drie weken rond de plek van de beet een rode ring constateert of last krijgt van griepverschijnselen, of merkt dat de hond niet in orde is, moet u naar de huis- c.q. dierenarts. Deze kan in dit vroege stadium de ziekte effectief behandelen met antibiotica. Een teek verwijderen gaat als volgt: pak de teek tegen de huid van de hond beet met een tekentang of tussen duim en wijsvinger (niet platdrukken!), draai hem 180 en trek hem er dan uit. De kop moet er uit zijn. Zo niet, dan veroorzaakt dit vaak een nare ontsteking. Na het verwijderen moet u de huid rond de plaats van de beet ontsmetten. LET OP! Nooit de teek verdoven met bijvoorbeeld alcohol of ether. Dit wordt vaak aangeraden, maar is achterhaald. De teek gaat hierdoor namelijk braken, waardoor hij juist ziekten zal overbrengen.


Luizen zijn er in twee soorten:

de haarluis, die zich voedt met haarschilfers en huidvet;
de bloedluis, die zich voedt met bloed van de hond, de huid beschadigt en zelfs bloedarmoede kan veroorzaken. Deze soort komt het meest voor.
Luizen zijn herkenbaar aan langgerekte witte stippen (neten) op de haren van de hond.

Mijten zijn heel klein, nauwelijks te zien. Mijten graven gangen in de huid waarin de eieren worden gelegd. Het veroorzaakt irritatie van de huid, kale plekken en ontstekingen.

Inwendige parasieten
Lintwormen loopt de hond op door hun tussengastheer de vlo op te eten. De volwassen lintworm haakt met zijn kop vast in de darmen van de hond. Zijn lijf bestaat uit vele segmenten met daarop de eitjes. Geregeld wordt zo’n segmentje losgelaten en komt het in de ontlasting terecht. Het ziet er dan uit als een plat plaatje. Opgedroogde segmenten lijken op rijstkorrels en zijn vaak te vinden rond de anus. Lintwormen bestrijden heeft overigens pas zin als ook het vlooienprobleem wordt aangepakt.

Spoelwormen komen vooral bij pups voor, omdat deze nog niet voldoende weerstand hiertegen hebben opgebouwd. De pups krijgen de spoelworm door van de moeder en later door contact met besmette voorwerpen. Verschijnselen: magerheid, dof haar, gebrek aan eetlust en bij een zware infectie dikke ronde buikjes (wormbuikjes). Trouwens, ook mensen kunnen met spoelwormen besmet raken.

Dit waren de twee belangrijkste soorten wormen waarmee de hond besmet kan raken. Er bestaan er echter nog meer. In verband met alle soorten wormen die bij de hond voorkomen, raden wij aan uw hond minstens tweemaal per jaar te ontwormen, waarbij een van beide keren liefst n week voor de inenting.

Wanneer u denkt een of meer van voornoemde parasieten te hebben geconstateerd, dan is het goed uw dierenarts te raadplegen. Ook hier geldt weer: voorkomen is beter dan genezen! Hou het hondenverblijf goed schoon, let regelmatig op de ontlasting en hou steeds de totale gezondheid van de hond in de gaten.

De teef

Loopsheid. Teven worden gewoonlijk voor het eerst loops wanneer ze ongeveer 9 10 maanden oud zijn, maar binnen de grenzen van 6-18 maanden is het optreden van een eerste loopsheid nog steeds normaal. Na die eerste keer wordt de teef ongeveer om de 6 maanden opnieuw loops. Kortere of langere tussenpozen vormen geen reden tot ongerustheid. De totale loopsheid duurt ongeveer 3 weken. Tussen de 8e en de 16e dag vindt gewoonlijk de ovulatie plaats en is de teef bereid zich te laten dekken. Mogelijk zal zij zelf weglopen om een geschikte partner te vinden - vandaar de naam “loops”. De eerste 10 dagen is de uitvloeiing wat bloederig, daarna wordt het wat lichter van kleur. De hoeveelheid uitvloeiing is bij elke teef weer anders. Wordt het teefje, ondanks alle oplettendheid, toch gedekt, dan bestaat de mogelijkheid haar door de dierenarts een injectie te laten geven (morning-after prik). In de meeste gevallen wordt hiermee wel een nestje voorkomen, maar er zijn toch duidelijke nadelen. De loopsheidperiode wordt verlengd (duurt vaak tweemaal zo lang als normaal) en er is een vrij grote kans op baarmoederontsteking. Al met al reden genoeg om uw teefje goed in te gaten te houden tijdens de loopsheid.

De prikpil voorkomt de loopsheid. De dierenarts spuit een hormoon in waarmee de loopsheid wordt onderdrukt. De werking van dit hormoon is 6-9 maanden. Wilt u met uw teefje een nestje fokken, laat haar dan nooit inspuiten.

Castratie wordt in de volksmond meestal “sterilisatie” genoemd. Het houdt in dat de baarmoeder en de eierstokken op operatieve wijze worden verwijderd, met als prettige bijkomstigheid dat uw teefje niet meer loops wordt. De arts haalt immers alles weg. Dit kan al na de eerste loopsheid. Na deze ingreep moet u uw teefje wel minder te eten geven, omdat ze sneller dik zal worden.

Sterilisatie: Hierbij worden alleen de eileiders afgebonden. Het teefje wordt hierna gewoon weer loops. Deze ingreep wordt bijna nooit toegepast.

Schijnzwangerschap treedt dikwijls ongeveer 8 10 weken na het begin van de loopsheid op. Verschijnselen: de hond is erg aanhankelijk, sloom, de tepels kunnen opzwellen en zelfs melk afgeven.
Het teefje vertoont nestdrift: het gaat bijvoorbeeld met allerlei materiaal lopen slepen en zoekt een eigen plekje waar dit allemaal naar toe wordt gebracht. Dit kan voor uw interieur overigens soms destructieve vormen aannemen. Meestal is er weinig aan te doen. De eigenaar kan er wel wat voor geven, maar dat zijn weer hormonen! Veel bewegen en minder eten helpt vaak heel goed.


De reu

De reu kan vaak last hebben van een ontsteking van de voorhuid van de penis. U ontdekt dit doordat er wat gele pus uitkomt en de reu soms wat druppels verliest. Het is bijna niet te voorkomen. De reu ligt op de grond, op het zand of op het gras, vuil dringt naar binnen en veroorzaakt zo een ontsteking. Bij erge ontsteking kunt u bij de dierenarts een zgn. voorhuidcleaner krijgen, waarmee u de voorhuid regelmatig kunt schoonmaken. Als u een dergelijke ontsteking verwaarloost, kan het zijn dat deze niet meer weggaat of steeds weer terugkomt. De ontsteking is dan chronisch geworden.

Castratie van de reu moet goed worden overwogen en eigenlijk alleen worden toegepast in een onhoudbare situatie, bijvoorbeeld als hij overmatig seksueel geprikkeld is of zeer agressief gedrag tegen in hoofdzaak andere reuen vertoont. Overleg met de dierenarts de voor- en nadelen. Na deze ingreep moet u uw reu wel minder te eten geven, omdat hij sneller dik zal worden.

Chemische castratie is een tijdelijke variant hierop. De hond krijgt een injectie die bepaalde hormonen tijdelijk (ongeveer 3 maanden) onderdrukt. Met chemische castratie kunt u uitproberen of een definitieve, operatieve castratie wel de oplossing voor het (gedrags)probleem is.

Met dank aan: Jan Oostland
Website: http://www.oostland-diensthonden-opleidingen.nl
Datum: 20-02-2011